ECLI:NL:PHR:2013:31

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 juni 2013
Publicatiedatum
8 juli 2013
Zaaknummer
12/04143
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huurbetaling en ontruiming appartement in Curaçaose huurovereenkomst

In deze Curaçaose zaak vorderde verweerster betaling van achterstallige huur en ontruiming van een appartement dat zij op erfpachtgrond had gebouwd. Verzoeker, haar broer, betaalde maandelijks huur en verhuurde het appartement aan een derde, terwijl hij zelf het houten huis op het terrein bleef bewonen.

Het Gerecht in Eerste Aanleg wees de vorderingen af, omdat geen huurovereenkomst was gesloten en een brief van 2005 de betalingsverplichting zou hebben opgeheven. Het hof oordeelde echter dat wel sprake was van een huurovereenkomst en veroordeelde verzoeker tot betaling van achterstallige huur, maar wees de ontruimingsvordering af wegens onvoldoende bewijs.

Verzoeker stelde dat er sprake was van een huurkoopovereenkomst, maar het hof vond dat hierover geen overeenstemming was bereikt. De Hoge Raad toetste slechts de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof en verwierp het cassatieberoep. De vordering tot betaling van achterstallige huur werd bevestigd, terwijl de ontruimingsvordering werd afgewezen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de huurovereenkomst wordt bevestigd en de vordering tot ontruiming afgewezen.

Conclusie

Rolnr. 12/04143
Mr M.H. Wissink
Zitting: 21 juni 2013
conclusie inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],
verzoeker tot cassatie
tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],
verweerster in cassatie
1.
Het bij verzoekschrift van 28 augustus 2012 tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich tegen de vonnissen van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het hof) van 20 maart 2012 en van 29 mei 2012. Er is geen verweer gevoerd. Verzoeker heeft afgezien van schriftelijke toelichting van het middel. Ik zal in navolging van het hof partijen aanduiden als [verzoeker] en [verweerster].
2.
Het hof heeft de door het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao (hierna: GEA) in zijn vonnis van 16 mei 2011 vastgestelde feiten als volgt samengevat (rov. 4.1 tussenvonnis van 20 maart 2012). Partijen zijn zus en broer. [verzoeker] bewoont sedert tientallen jaren een door hem gebouwd houten huis gelegen op een terrein ter grootte van ongeveer 440 m2 aan de [a-straat 1]. Sinds omstreeks 1999 heeft [verweerster] dit terrein in erfpacht. [verweerster] heeft daarna op dit terrein een appartement doen bouwen. Per 1 mei 2002 is dit appartement ter beschikking gesteld van [verzoeker], die daarvoor NAF. 325,00 per maand aan [verweerster] diende te betalen. [verzoeker] heeft vanaf 1 mei 2002 maandelijks een bedrag van NAF. 325,00 aan [verweerster] voldaan. [verzoeker] heeft het appartement verhuurd aan een derde. [verzoeker] is tot op heden het houten huis blijven bewonen.
3.
[verweerster] heeft in dit geding primair gevorderd (i) ontruiming door [verzoeker] van het (houten) huis en (ii) betaling door [verzoeker] van achterstallige huur ter zake van het appartement, ad NAF. 20.800,- tot en met 30 april 2010 en vermeerderd met NAF. 325,- per maand tot aan de dag van ontruiming. Subsidiair heeft zij gevorderd ontbinding van de bestaande huurkoopovereenkomst dan wel een verklaring dat deze ontbonden is.
4.
Het GEA heeft in zijn vonnis van 16 mei 2011 de vorderingen afgewezen, omdat (i) er geen huurovereenkomst is gesloten en (ii) op 9 juni 2005 door de echtgenoot van [verweerster] aan [verzoeker] een brief is gezonden, waaruit redelijkerwijze mocht worden begrepen dat [verzoeker] de betalingen niet meer hoefde te verrichten. Waar het GEA spreekt van ‘het huis’ doelt het op het appartement (zie zijn rov. 3.1 onder b).
5.
In zijn tussenvonnis van 20 maart 2012 overweegt het hof:
  • Ten aanzien van de (betalings- en subsidiair ontbindings-)vorderingen met betrekking tot het appartement: dat geen huurkoopovereenkomst tot stand is gekomen (rov. 4.4), maar dat er wel een huurovereenkomst is. [verzoeker] is verplicht tot betaling van de huur van NAF. 325,- per maand. De brief van 9 juni 2005 staat daaraan niet in de weg. De vordering tot betaling van achterstallige huur is verjaard voor wat betreft huurpenningen vervallen voor mei 2005 (rov. 4.5).
  • Ten aanzien van de vordering tot ontruiming van het (houten) huis: [verweerster] stelt dat [verzoeker] dit huis aan haar heeft verkocht en daarbij de afspraak is gemaakt dat [verzoeker] het huis zou ontruimen en in het appartement zou gaan wonen. Zij beroept zich op een geschrift van 31 oktober 1997 waarin [verzoeker] verklaart dit huis met bijhorend recht van erfpacht te hebben verkocht aan [verweerster] voor NAF. 4000,-. Nu [verzoeker] betwist dat hij dit stuk heeft getekend, kan het eerst tot bewijs van de koop dienen als [verweerster] bewijst dat de handtekening onder het stuk van [verzoeker] is (rov. 4.6).
Het hof beveelt vervolgens een comparitie van partijen.
6.
In zijn eindvonnis overweegt het hof:
  • De vordering tot betaling van de achterstallige huur voor het appartement moet worden toegewezen (rov. 2.2.)
  • De vordering tot ontruiming van het houten huis moet worden afgewezen nu [verweerster] heeft afgezien van bewijslevering, zodat niet is komen vast te staan dat [verzoeker] door het bewonen van dit huis inbreuk maakt op het eigendomsrecht van [verweerster] (rov. 2.3).
Het hof veroordeelt [verzoeker] tot betaling van NAF. 19.500,- wegens achterstallige huurpenningen tot en met april 2010, met wettelijke rente vanaf 30 april 2010, en tot betaling van NAF. 325,- vanaf mei 2010 tot de dag van ontruiming van het appartement.
7.
Het middel bevat twee klachten.
8.
Klacht 1(nrs. 14-20 van het verzoekschrift) is gericht tegen rov. 4.4 van het tussenvonnis. De klacht houdt blijkens
nr. 20in de kern in dat (i) [verzoeker] als bevrijdend verweer tegen de op de gepretendeerde huurovereenkomst gegronde betalingsvordering een beroep heeft gedaan op het bestaan van een huurkoopovereenkomst en (ii) dat de stukken geen andere uitleg toelaten dan dat deze stellingname door [verweerster] niet expliciet is betwist.
9.
Aldus klaagt [verzoeker] in de kern over de begrijpelijkheid van de lezing door het hof van de stellingen van [verweerster] (uitgaande van die onbegrijpelijkheid bevat klacht 1 ook een voortbouwende rechtsklacht). De uitleg van de stukken behoort tot het domein van het hof als rechter die over de feiten oordeelt. De Hoge Raad kan deze uitleg slechts op begrijpelijkheid toetsen.
Het hof overweegt in rov. 4.4 dat partijen hebben gesproken over de huurkoopovereenkomst, maar dat gesteld noch gebleken is dat over de conceptovereenkomst overeenstemming is bereikt.
Nadat [verzoeker] in eerste aanleg een beroep had gedaan op het bestaan van een huurkoopovereenkomst (zie de klacht onder nrs. 15-16 en 18), heeft [verweerster] daarop gereageerd. Zie de Akte overlegging bescheiden tevens vermeerdering/wijziging van eis, p. 2, bovenaan; Memorie van grieven, nr. 6 (waarin [verweerster] tegen rov. 3.2 van het vonnis van het GEA aanvoert dat een huurovereenkomst ter zake van het appartement bestaat), [1] nr. 10 (waarin [verweerster] tegen rov. 3.6 inzake de subsidiaire vordering aanvoert dat het GEA voorbijgaat aan haar beroep op ontbinding van de huurkoopovereenkomst) en nrs. 11 en 12 (waarin [verweerster] aanvoert dat de brief van 9 juni 2005 uitgaat van het bestaan van een huurovereenkomst); pleitnota in hoger beroep, i.h.b. p. 2 en p. 7, onderaan.
Het standpunt van [verweerster] heeft het hof kennelijk aldus opgevat dat [verweerster] zich beroept op het bestaan van een huurovereenkomst ter zake van het appartement, het bestaan van een rechtsgeldige huurkoopovereenkomst bestrijdt en, subsidiair, ontbinding van die huurkoopovereenkomst verzoekt. In dat standpunt kon het hof een betwisting lezen van het bestaan van een huurkoopovereenkomst. Deze lezing van de stellingen van [verweerster] komt mij niet onbegrijpelijk voor. Klacht 1 dient daarom te falen.
10.
Klacht 2 (nr. 22)houdt in dat het hof in rov. 4.5 van het tussenvonnis had dienen aan te nemen dat aan de betaling van de gebruiksvergoeding van NAF 325,- per maand een huurkoopovereenkomst ten grondslag lag, zoals [verzoeker] had aangevoerd, en niet een huurovereenkomst.
Nr. 23bevat een voortbouwende veegklacht.
11.
Klacht 2 faalt. Het hof kon, mede gezien het falen van klacht 1, oordelen dat er geen huurkoopovereenkomst was gesloten. In dat licht ligt het oordeel dat er sprake was van een huurovereenkomst voor de hand, nu voor het gebruik een maandelijkse vergoeding moest worden betaald.
12.
Uw Raad zou de klachten naar mijn mening met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro kunnen afdoen.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Het verzoekschrift tot cassatie nr. 9 lijkt te veronderstellen dat grief 6 was gericht tegen het oordeel van het GEA dat er geen huurovereenkomst ter zake van de woning (= het houten huis) was. Zoals eerder opgemerkt, doelt het GEA met ‘huis’ echter op het appartement.