Conclusie
[verzoeker],
[verweerster],
- Ten aanzien van de (betalings- en subsidiair ontbindings-)vorderingen met betrekking tot het appartement: dat geen huurkoopovereenkomst tot stand is gekomen (rov. 4.4), maar dat er wel een huurovereenkomst is. [verzoeker] is verplicht tot betaling van de huur van NAF. 325,- per maand. De brief van 9 juni 2005 staat daaraan niet in de weg. De vordering tot betaling van achterstallige huur is verjaard voor wat betreft huurpenningen vervallen voor mei 2005 (rov. 4.5).
- Ten aanzien van de vordering tot ontruiming van het (houten) huis: [verweerster] stelt dat [verzoeker] dit huis aan haar heeft verkocht en daarbij de afspraak is gemaakt dat [verzoeker] het huis zou ontruimen en in het appartement zou gaan wonen. Zij beroept zich op een geschrift van 31 oktober 1997 waarin [verzoeker] verklaart dit huis met bijhorend recht van erfpacht te hebben verkocht aan [verweerster] voor NAF. 4000,-. Nu [verzoeker] betwist dat hij dit stuk heeft getekend, kan het eerst tot bewijs van de koop dienen als [verweerster] bewijst dat de handtekening onder het stuk van [verzoeker] is (rov. 4.6).
- De vordering tot betaling van de achterstallige huur voor het appartement moet worden toegewezen (rov. 2.2.)
- De vordering tot ontruiming van het houten huis moet worden afgewezen nu [verweerster] heeft afgezien van bewijslevering, zodat niet is komen vast te staan dat [verzoeker] door het bewonen van dit huis inbreuk maakt op het eigendomsrecht van [verweerster] (rov. 2.3).
nr. 20in de kern in dat (i) [verzoeker] als bevrijdend verweer tegen de op de gepretendeerde huurovereenkomst gegronde betalingsvordering een beroep heeft gedaan op het bestaan van een huurkoopovereenkomst en (ii) dat de stukken geen andere uitleg toelaten dan dat deze stellingname door [verweerster] niet expliciet is betwist.
Nr. 23bevat een voortbouwende veegklacht.