ECLI:NL:PHR:2013:33

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 juni 2013
Publicatiedatum
8 juli 2013
Zaaknummer
13/01401
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling dwaling en bedrog bij totstandkoming echtscheidingsconvenant met alimentatieafkoop

De rechtbank ’s-Gravenhage sprak op 26 maart 2012 de echtscheiding uit en nam het echtscheidingsconvenant op, waarin de man een afkoop van alimentatie aan de vrouw overeenkwam van €107.500.

De man stelde in hoger beroep dat deze alimentatieafspraak tot stand was gekomen door bedrog of dwaling, omdat de vrouw zou hebben aangegeven in de voormalige echtelijke woning te willen blijven wonen, terwijl zij kort na de echtscheiding een islamitisch huwelijk in Suriname zou zijn aangegaan en dus niet aannemelijk was dat zij in de woning zou blijven.

Het hof verwierp dit standpunt omdat de man niet aannemelijk had gemaakt dat de vrouw ten tijde van de onderhandelingen en ondertekening van het convenant niet de intentie had in de woning te blijven. De vrouw stelde dat zij de nieuwe partner pas na de echtscheidingsprocedure had leren kennen, hetgeen de man niet kon weerleggen.

De Hoge Raad bevestigt dat op de man de stelplicht en bewijslast rusten om aan te tonen dat de vrouw ten tijde van het convenant andere intenties had. Zelfs als de vrouw de partner al vóór 26 maart 2012 had leren kennen, is dat onvoldoende zonder bewijs van haar intenties tijdens de convenantonderhandelingen begin februari 2012.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de cassatie op grond van art. 80a RO.

Uitkomst: Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onvoldoende stelplicht en bewijslast omtrent dwaling of bedrog bij echtscheidingsconvenant.

Conclusie

13/01401
mr. Keus
Zitting 21 juni 2013
Conclusie art. 80a RO inzake:
[de man]
(hierna: de man)
verzoeker tot cassatie
advocaat: mr. M.D. Winter
tegen
[de vrouw]
(hierna: de vrouw)
verweerster in cassatie
1. Bij beschikking van 26 maart 2012 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage de echtscheiding tussen partijen op gemeenschappelijk verzoek uitgesproken en de door partijen getroffen regeling van hun betrekkingen na de echtscheiding in die beschikking opgenomen door verwijzing naar het in kopie daaraan gehechte en op 3 en 7 februari 2012 ondertekende echtscheidingsconvenant. Van dat convenant maakt een afkoop door de man van de na de ontbinding van het huwelijk aan de vrouw verschuldigde alimentatie tegen een totaalbedrag van € 107.500,- deel uit.
2. In hoger beroep heeft de man zich op het standpunt gesteld dat de bedoelde alimentatieafspraak door bedrog of dwaling tot stand is gekomen omdat (i) de vrouw zou hebben kenbaar gemaakt in de voormalige echtelijke woning te willen blijven wonen, (ii) de man, juist om haar daartoe in staat te stellen, bereid was tot afkoop van de alimentatie tegen het genoemde bedrag, (iii) de vrouw op 31 maart 2012 in Suriname een islamitisch huwelijk met [betrokkene] zou zijn aangegaan, en (iv) niet aannemelijk is dat de vrouw (met [betrokkene], die aannemer is in Suriname) overeenkomstig de aan de man voorgespiegelde intenties in de voormalige echtelijke woning zal blijven wonen. De vrouw heeft het bedoelde huwelijk en een wijziging van haar intenties met betrekking tot de woning ontkend.
3. In de bestreden beschikking heeft het hof het standpunt van de man verworpen, omdat uit de stellingen van de man niet is af te leiden dat de vrouw reeds ten tijde van de onderhandelingen over en het ondertekenen van het convenant niet meer het voornemen had in de woning te blijven wonen. In dat verband heeft het hof onder meer gereleveerd dat de vrouw heeft gesteld dat zij [betrokkene] pas na de echtscheidingsprocedure heeft leren kennen en dat de man deze stelling niet heeft kunnen weerleggen. De cassatieklachten spitsen zich op dat laatste toe: naar de kern genomen betoogt het middel dat, gelet op de gebeurtenissen tussen 26 maart 2012 (datum van de echtscheidingsbeschikking) en 31 maart 2012 (datum van het gestelde islamitische huwelijk), wel zeer onaannemelijk is dat de vrouw [betrokkene] niet al vóór 26 maart 2012 heeft leren kennen.
4. Het middel kan niet tot cassatie leiden. Op de man rusten stelplicht en bewijslast met betrekking tot de intenties van de vrouw ten tijde van de totstandkoming en ondertekening van het convenant, begin februari 2012. Ook als de vrouw [betrokkene] al vóór 26 maart 2012 heeft leren kennen, zou dat, gelet op de op de man rustende stelplicht en bewijslast, niet zonder meer voldoende zijn.
5. Overigens veronderstelt het middel dat het hof met de zinsnede
“na de echtscheidingsprocedure”heeft bedoeld: na 26 maart 2012. Die veronderstelling is onjuist. In haar verweerschrift onder 9 (waarbij het hof kennelijk heeft willen aansluiten) heeft de vrouw het - meer precies - aldus uitgedrukt, dat zij met [betrokkene] contact heeft gekregen,
“(p)as nadat de echtscheidingsprocedure was gestart”. Dat maakt de door het middel uitgewerkte tijdlijn (26-31 maart 2012) irrelevant, nu het startmoment niet 26 maart 2012, maar (op zijn laatst) 2 maart 2012 (de dag van indiening van het gemeenschappelijk verzoek) is. Bij dit alles blijft intussen het werkelijk beslissende moment de ondertekening van het convenant op 3 en 7 februari 2012.
6. Volledigheidshalve vermeld ik ten slotte dat het hof in rov. 17 in cassatie onbestreden heeft vastgesteld dat de vrouw vanaf oktober 2012 weer in de woning woonachtig is.
6. De conclusie strekt tot een niet-ontvankelijkverklaring op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal