ECLI:NL:PHR:2013:34

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 juni 2013
Publicatiedatum
8 juli 2013
Zaaknummer
13/02480
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep inzake omgangsregeling vader met minderjarige kinderen na echtscheiding

De zaak betreft een cassatieberoep van de vrouw tegen het besluit van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba e.a. dat een omgangsregeling toestaat tussen de man en het vijfjarige kind uit hun ontbonden huwelijk. De vrouw voert meerdere klachten aan tegen het oordeel van het hof, onder meer over de beoordeling van agressie en de psychische draagkracht van de vrouw.

Het hof heeft het belang van het kind als uitgangspunt genomen en geoordeeld dat niet is gebleken dat de gestelde agressie zodanig negatieve invloed heeft dat omgang uitgesloten moet worden. Het hof heeft ook de medische verklaringen betrokken in zijn afweging, maar heeft geen oordeel gegeven over de medische toestand zelf.

De Hoge Raad oordeelt dat de klachten geen cassatie kunnen rechtvaardigen en verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a lid 1 RO. De klachten zijn grotendeels gebaseerd op feitelijke waarderingen en onjuiste lezing van de beschikking, waarvoor in cassatie geen plaats is.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de omgangsregeling tussen de vader en het kind blijft toegestaan.

Conclusie

Rolnr. 13/02480
Mr M.H. Wissink
Zitting van 21 juni 2013
Conclusie inzake:

[de vrouw],

wonende op [woonplaats],
verzoekster tot cassatie,
(hierna: de vrouw)
tegen

[de man],

wonende op [woonplaats],
verweerder,
(hierna: de man)
1.
Het bij verzoekschrift van 17 mei 2103 tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich tegen de beschikkingen van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het hof) van 14 februari 2012 en van 19 februari (op schrift gesteld op 26 maart) 2013. Hierin heeft het hof een omgangsregeling toegestaan tussen de man en het uit het ontbonden huwelijk van partijen geboren kind van thans vijf jaren oud, waarover de vrouw het gezag heeft.
2.
De klachten rechtvaardigen geen behandeling in cassatie omdat deze klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Onderdeel 2.1 richt klachten tegen rov. 3.3-3.5 en het dictum van de tussenbeschikking.
Subonderdeel 2.1.1bevat geen klacht.
Subonderdeel 2.1.2berust op een verkeerde lezing van de beschikking. De overweging over ‘family life’ ziet op het bestaan van het recht van omgang dat voortvloeit uit art. 1:377a BW. Het hof legt in rov. 3.4.1 uit dat niet of onvoldoende is gebleken dat de gestelde agressie zodanig relevante negatieve invloed heeft op het belang van het kind dat daarmee een van de vier gronden van art. 1:377a lid 3 BW aanwezig is.
Subonderdeel 2.1.3bestrijdt dit feitelijke oordeel vergeefs. Het hof heeft in rov. 3.4.1 niet geoordeeld dat de “door de vrouw gestelde (…) heftige spanningen geen effect hebben” op het kind. Daar komt bij dat de klacht zich richt naar de situatie in 2010 terwijl nadien tijd is verstreken, waarop het hof in rov. 3.4.1 wijst. Dit laatste geldt ook voor de klacht van
subonderdeel 2.1.4voor zover deze ziet op de psychische toestand van de vrouw. Op de enkele stelling van de vrouw met betrekking tot haar vrees voor agressie van de man jegens het kind behoefde het hof gezien zijn overige overwegingen niet nog afzonderlijk in te gaan.
Subonderdeel 2.1.5berust op een onjuiste lezing van de beschikking. Met het recht van de man op omgang in rov. 3.4.1 doelt het hof op het wettelijke uitgangspunt, waarbij het overigens (ook in rov. 3.4.1) toetst aan het belang van het kind (zie rov. 3.3).
Subonderdeel 2.1.6berust op een onjuiste lezing van de beschikking. Het hof toetst of het belang van het kind zich verzet tegen omgang, waarbij het hof in principe omgang met de biologische/juridische vader in het belang van het kind acht. In dat perspectief weegt het hof de stellingen van de vrouw omtrent haar psychische draagkracht.
Subonderdeel 2.1.7miskent dat het bij de zojuist bedoelde beoordeling gaat om de betekenis van de stellingen omtrent de psychische draagkracht en niet om het bewijs van de daaraan voorafgaande mishandelingen. Anders dan
subonderdeel 2.1.8aanvoert, heeft het hof geen oordeel gegeven omtrent de medische toestand van de vrouw. Het heeft de verklaringen van de huisarts en psycholoog beoordeeld in verband met de betekenis die in de afweging moet toekomen aan de psychische draagkracht van de vrouw. [1]
Onderdeel 2.2richt klachten tegen de eindbeschikking. Het hof heeft in het rapport van de Voogdijraad van 12 februari 2013 geen aanleiding gezien anders te oordelen dan het in zijn tussenbeschikking had gedaan. Het rapport bevat als bijlagen de brieven van dr. McCollum-Willems van Kem psychology van 13 juni 2013 en 14 november 2012 en reageert daarop op p. 13-14. De Voogdijraad komt tot een aanbeveling die het hof heeft overgenomen. De
klachten onder Ifalen. Het hof heeft de brieven van dr. McCollum-Willems niet miskend, maar een eigen afweging gemaakt welke gezien de tussenbeschikking en de inhoud van het rapport van de Voogdijraad van 12 februari 2013 voldoende is gemotiveerd. Het hof heeft niet (ook niet in zijn tussenbeschikking) geoordeeld dat de berichten van de behandelaars van de vrouw niet ter zake zijn.
De voortbouwende
klachten op p. 15, van onderdeel 2.2 onder II en van onderdeel 2.3dienen eveneens te falen. Het hof heeft aan de hand van een juiste maatstaf een voldoende gemotiveerd oordeel gegeven, dat sterk verweven is met waarderingen van feitelijke aard. Voor de Hoge Raad resteert dan verder geen taak.
3.
Het cassatieberoep kan met toepassing van artikel 80a RO niet-ontvankelijk verklaard worden.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Deze verklaringen maken kennelijk deel uit van het procesdossier, maar ik trof ze niet aan in het dossier dat mij ter beschikking staat. De inhoud ervan wordt in het verzoekschrift tot cassatie geciteerd op p. 13-14 (met de opmerking dat de verklaring van de huisarts dateert van 9 januari 201