Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
klacht 1.aheeft het hof miskend dat een ‘bindend advies’ niets anders is dan dat partijen zijn overeengekomen dat vaststelling plaatsvindt door een derde en is voorts het oordeel van het hof onbegrijpelijk omdat [eiser] c.s. zich reeds in de procedure voor cassatie en verwijzing op dat standpunt hebben gesteld.
Klacht 1.bhoudt in dat [eiser] c.s. in de procedure na cassatie en verwijzing noch een nieuwe feitelijke stellingname, noch een ‘rechtsmiddel’ naar voren hebben gebracht maar slechts een juridische kwalificatie hebben gegeven aan de eerder naar voren gebrachte feiten waartoe het hof met toepassing van art. 25 Rv Pro. ook ambtshalve had kunnen concluderen nu de rechter vóór cassatie niet meer inhoudelijk was toegekomen aan het beroep van [eiser] c.s. op schending van opdracht door arbiters (art. 1065 lid 1 sub c Rv Pro.).
Klacht 1.cbetoogt ten slotte dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting aangezien het heeft miskend dat door partijen in de procedure na verwijzing ter precisering, toelichting en correctie van reeds ingenomen standpunten, nieuwe stellingen mogen worden ingenomen en producties overgelegd, en dat zulks binnen de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie valt.