Conclusie
[aanvrager]
opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, meermalen gepleegd”, 2 en 4 “
medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”, en 5 “
opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tot het plegen van het feit opdracht heeft gegeven” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden en een geldboete van € 450.000,-, subsidiair 12 maanden hechtenis.
eerste grondheeft betrekking op het onder 1 bewezenverklaarde. Aangevoerd wordt dat voor dat misdrijf reeds bestuursrechtelijk was gehandhaafd, dat zulks bij de rechtbank niet bekend was, en dat die omstandigheid het ernstig vermoeden doet ontstaan dat de rechtbank bij bekendheid hiermee de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou hebben uitgesproken wegens strijd met het ‘una via’-beginsel.
tweede grondheeft betrekking op het onder 3 bewezenverklaarde en houdt in dat tegenover de ten onrechte in de aangifte opgevoerde aftrekpost ‘bemiddelingskosten’ een hogere, niet opgevoerde (aftrek)post ‘arbitragekosten’ stond, waardoor de aangifte van aanvrager nooit tot gevolg kan hebben gehad/zou kunnen hebben dat te weinig belasting werd geheven, dat daardoor niet werd voldaan aan het “strekkingsvereiste”, dat dit niet bij de rechtbank bekend was ten tijde van het wijzen van het vonnis waartegen de aanvraag zich richt, en dat die omstandigheid het ernstig vermoeden doet ontstaan dat de rechtbank ware deze omstandigheid haar bekend geweest, tot een vrijspraak van feit 3 zou zijn gekomen.
nietis opgevoerd in de betreffende aangifte. Een belastingaangifte waarin de ene aftrekpost ten onrechte wel is opgenomen, en de andere, grotere aftrekpost ten onrechte niet is vermeld, kan niet tot gevolg hebben dat te weinig belasting wordt geheven of zou kunnen worden geheven, aldus de aanvrager. De aanvrager beroept zich daartoe op een brief van belastinginspecteur [betrokkene 1] d.d. 14 maart 2001, in een uitspraak op bezwaar. Ook volgens [betrokkene 1] dient de winst uit aanmerkelijk belang met betrekking tot de verkoop van aandelen aan de [B] te worden verminderd met het bedrag van ƒ 2.874.150,=. De aanvrager wijst voorts op de analogie met de casus die heeft geleid tot HR 1 juli 1996,
NJ1996/752.
mogelijkheiddat de onjuistheid of onvolledigheid van de aangifte tot een te geringe belastingheffing leidt of kan leiden.
strektdat te weinig belasting wordt geheven. Daarmee wordt als bijkomende voorwaarde voor strafbaarheid de eis tot uitdrukking gebracht dat door de onjuiste of onvolledige aangifte een te geringe belastingheffing (naar redelijke verwachting)
waarschijnlijkis, zulks te ontlenen aan objectieve omstandigheden. [2] Beslissend is of de gedraging (bijvoorbeeld de onjuiste aangifte) naar haar aard en in het algemeen geschikt is om teweeg te brengen dat over het geheel genomen te weinig belasting wordt geheven. Deze wetswijziging speelt echter geen rol bij de vraag of het in deze zaak als novum gepresenteerde gegeven aanleiding is voor herziening. De vraag naar het bestaan van een novum zal in casu moeten worden beoordeeld naar de delictsomschrijving van artikel 68, eerste lid, onder a (oud) AWR jo art. 68, tweede lid (oud) AWR, die volgens het overgangsrecht van toepassing is op belastingaangiften die betrekking hebben op tijdvakken die aanvingen voorafgaande aan 1998. [3]
NJ1996/752 lagen de feiten als volgt. Zoals ik voorafgaand aan HR 6 maart 2012, LJN BQ8596 heb besproken stond in die zaak uit 1996 naar zeggen van de verdachte tegenover het niet opgegeven activum (obligaties en een banksaldo) een niet opgegeven passivum (geldlening) van gelijke hoogte. Met de geldlening was het activum bekostigd. Het saldo van de uit die vermogensbestanddelen genoten inkomsten enerzijds en de uit hoofde van de geldlening betaalde rente anderzijds was nihil of negatief, aldus telkens de verdachte. Doordat het hof in die strafzaak de juistheid van deze stellingen in het midden had gelaten, bleef naar het oordeel van Uw Raad de met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid open dat het handelen van de verdachte niet tot gevolg zou kunnen hebben dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven. Kortom, naar het oordeel van de Hoge Raad leidt niet onder alle omstandigheden een opzettelijke onjuistheid of onvolledigheid in de aangifte tot de mogelijkheid dat de weinig belasting kan worden geheven.
overherziening mag worden vooruitgelopen op het geding
inherziening. In het laatstgenoemde geding kan de rechter naar wie de zaak eventueel wordt verwezen immers op de voet van artikel 313 Sv Pro en binnen de grenzen van artikel 68 Sr Pro een wijziging toelaten van de oorspronkelijke tenlastelegging, zulks voor zover de onherroepelijke veroordeling daarop berust c.q. voor zover de veroordelende rechter niet aan de beoordeling ervan is toegekomen (bijvoorbeeld doordat het primair tenlastegelegde reeds tot de bestreden veroordeling leidde). Ik wil die vraag bevestigend beantwoorden en ik verwijs voor de argumentatie ervan naar een tweetal conclusies in herzieningszaken die ik eveneens heden neem. [8] Zoals ik daarin heb betoogd gaat het in herziening om het ‘materiële’ feit waarop de steller van de tenlastelegging het oog had. De exacte bewoordingen van de tenlastelegging zijn daarin, meen ik, niet zonder meer bepalend.
niet(meer) worden aangetast door een (partiële) vrijspraak van de tenlastegelegde opgave van een te laag belastbaar inkomen. [9] Door vooruit te lopen op een daartoe strekkende wijziging van de tenlastelegging resteert uitsluitend nog de vraag of het gepresenteerde novum zich verdraagt met het bewijs van het gevolgbestanddeel. Het is daarmee nog steeds een open vraag of vanwege het bestaan van een alternatieve, toegestane aftrekpost, die ten onrechte niet is opgegeven, het ernstige vermoeden rijst dat de strafrechter zou hebben vrijgesproken van - kort gezegd - de enkele mogelijkheid dat te weinig belasting wordt geheven indien hij op de hoogte was geweest van het bestaan van het alternatief.
NJ2012/176, en is daardoor in wezen al beantwoord. In deze strafzaak uit 2012 was een opzettelijk onjuiste aangifte voor de vennootschapsbelasting bewezenverklaard. De in die aangifte gepresenteerde aankoop door de vennootschap van een aandelenportefeuille waarop de vennootschap in de daaropvolgende jaren een aanzienlijk verlies zou hebben gerealiseerd, had volgens het hof in werkelijkheid niet plaatsgevonden, althans niet in het betreffende boekjaar. Die aandelentransactie was naar ’s hofs oordeel gesimuleerd, zodat het aanzienlijke verlies niet zou vallen bij de natuurlijke persoon (dat was de medeverdachte), maar ogenschijnlijk bij zijn vennootschap. In dat laatste geval kon het verlies ten laste van de winst worden gebracht, aldus oordeelde tenminste de verdachte (een belastingadviseur). Het als “pleitbaar standpunt” gepresenteerde uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging hield in dat de vennootschap naar goed koopmansgebruik ook de rekening-courantvordering op de grootaandeelhouder (dat was wederom de medeverdachte) had mogen afwaarderen wegens de oninbaarheid van die vordering, zodat de winst van de vennootschap mogelijk op alternatieve wijze tot een lager belastbaar bedrag zou hebben geleid.
strekkingvan de onjuistheid in de aangifte en over de verwerping van een daarmee corresponderend bewijsverweer, heeft Uw Raad het middel in zoverre onbesproken gelaten. De klacht dat het hof niet in het midden had mogen laten of “
de winst van de bv mogelijkerwijs op andere wijze (...) tot een lager belastbaar bedrag zou hebben geleid” werd echter gegrond bevonden. Maar dat hoefde volgens U niet tot cassatie te leiden.
alsmedein de thans voorliggende zaak. In beide gevallen werd de fiscus misleid met het opvoeren van een fictieve aftrekpost. Het kan in die beide zaken zo zijn dat vanwege het bestaan van een andere, alternatieve en gegronde kostenpost de fiscus per saldo geen nadeel heeft ondervonden. Dat neemt echter niet weg dat in het opzettelijke fingeren van een aftrekpost de enkele mogelijkheid van belastingnadeel besloten ligt. [10] Dat is voldoende. Hierdoor kan de in de voorliggende zaak gepresenteerde alternatieve aftrekpost, te weten de door de fiscus erkende arbitragekosten, geen novum teweegbrengen. Het bestaan van die alternatieve aftrekpost zou namelijk niet tot vrijspraak leiden.
derde grondheeft wederom betrekking op het onder 3 bewezenverklaarde. Deze grond houdt in dat de aanvrager in zijn aangifte IB/PV 1993 en VB 1994 100% in plaats van 50% van de opbrengst van de verkoop van de aandelen in “[A]” heeft verantwoord waardoor de aangifte van aanvrager nooit tot gevolg kan hebben gehad/zou kunnen hebben dat te weinig belasting werd geheven, waardoor niet werd voldaan aan het “strekkingsvereiste”, dat dat niet bij de rechtbank bekend was ten tijde van het wijzen van het vonnis waartegen de aanvraag zich richt, en dat die omstandigheid het ernstig vermoeden doet ontstaan dat de rechtbank ware deze omstandigheid haar bekend geweest, tot een vrijspraak van feit 3 zou zijn gekomen.
vierde grondbetreft wederom het onder 3 bewezenverklaarde. Het aangevoerde houdt in dat de door de aanvrager aan [betrokkene 2] betaalde bemiddelingskosten niet terug in de zak van aanvrager zijn gekomen, zodat van het opgeven van een te laag belastbaar inkomen geen sprake is en (ook) het “strekkingsvereiste” niet is vervuld, dat die omstandigheid niet bij de rechtbank bekend was ten tijde van het wijzen van het vonnis waartegen de aanvraag zich richt, en dat die omstandigheid het ernstig vermoeden doet ontstaan dat de rechtbank ware deze omstandigheid haar bekend geweest, tot een vrijspraak van feit 3 zou zijn gekomen.
vijfde grondhoudt in dat de aanvrager een bemiddelingsprovisie van ƒ 1,6 miljoen niet als (verkapt) dividend aan zichzelf heeft uitgekeerd, maar dat dit bedrag is teruggevloeid naar [D] Holding BV, dat voor de aanvrager dus geen aanleiding bestond om het betreffende bedrag in zijn aangifte IB over het jaar 1995 op te nemen, dat die omstandigheid niet bij de rechtbank bekend was ten tijde van het wijzen van het vonnis waartegen de aanvraag zich richt, en dat die omstandigheid het ernstig vermoeden doet ontstaan dat de rechtbank ware deze omstandigheid haar bekend geweest, tot een vrijspraak van
feit 5zou zijn gekomen.
onder 6bewezenverklaarde. Daarin wordt de aanvrager verweten een aangifte IB/PV 1995 en VB 1996 opzettelijk onjuist en onvolledig te hebben gedaan door daarin het belastbaar inkomen ƒ 1,6 miljoen lager op te geven dan het werkelijk heeft bedragen. De eerdergenoemde bemiddelingsprovisie zou volgens belastinginspecteur [betrokkene 1] (bewijsmiddel 37) namelijk aan [E] B.V. zijn onttrokken opdat de verdachte daarover in privé kon beschikken.
zesde grondhoudt in dat de voorzitter van de strafkamer van de rechtbank te Amsterdam die het bestreden vonnis heeft gewezen, zich had moeten verschonen, gezien de (objectieve) schijn van partijdigheid, c.q. gebrek aan onafhankelijkheid, en met succes gewraakt had kunnen worden, dat deze omstandigheid de overige leden van de rechtbank niet bekend was ten tijde van het wijzen van voornoemd vonnis en het ernstige vermoeden doet ontstaan dat sprake is van een met de waarborgen van art. 6 EVRM Pro strijdig proces nu bij de aanvrager (gerechtvaardigd) de objectieve vrees van partijdigheid c.q. gebrek aan onafhankelijkheid is gerezen, gezien de persoonlijke (getroebleerde) relatie tussen de aanvrager en de voorzitter.