Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdelen 1 t/m 4keren zich tegen het oordeel van het hof tot afwijzing van de aansprakelijkheid van [verweerder] op grond van art. 3:70 BW Pro.
Onderdeel 1voert aan dat het hof in de bestreden arresten, in het bijzonder rov. 5.3-5.4 van het tussenarrest en rov. 8-9 van het eindarrest, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het bepaalde in art. 3:70 jo Pro. art. 150 Rv Pro, omdat de bewijslast van het bestaan van de (beweerde) volmachtgever rust op [verweerder] als (pseudo)gevolmachtigde. Indien deze bewijslastverdeling niet volgt uit de genoemde bepalingen, betoogt
onderdeel 2dat het hof heeft miskend dat de bewijslast van het bestaan van Multinvestments in elk geval op grond van de redelijkheid en billijkheid op [verweerder] behoort te berusten, althans dat het hof zonder nadere motivering voorbij is gegaan aan het daartoe strekkende betoog van [eiser] c.s..
onderdeel 7behoeft geen afzonderlijke bespreking.