6.Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen:
“Overweging met betrekking tot het bewijs
Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.
Op 10 december 2009 werd de Cl000 in Millingen aan de Rijn overvallen door drie personen.
[betrokkene 3] (werknemer van de C1000) heeft verklaard (p. 733 e.v.) dat hij op 10 december 2009 om ongeveer 06.10 uur op het werk arriveerde. Toen hij naar de achterdeur liep en de sleutel in het slot stak, kwam er een man die tegen hem aan ging staan. De man was in het zwart gekleed en droeg een bivakmuts. De man had een klein wapen in zijn hand. Vervolgens kwamen er nog twee andere mannen aanrennen. Een van die twee mannen had een soort broodmes. De man met het wapen zei: 'Dit is een overval, rustig blijven.' In de winkel werd een tie-rip om zijn polsen gedaan en moest hij op zijn buik gaan liggen.
[betrokkene 4] heeft verklaard (p. 745 e.v.) dat zij als hoofdcaissière bij de Cl000 werkt en dat zij op donderdag 10 december 2009 om 06.20 uur op haar werk arriveerde. Toen zij binnenkwam, werd er een hand op haar schouder gelegd door iemand met een bivakmuts op zijn hoofd. Zij moest de trap op. Boven zag ze nog een man. Eén van de mannen vroeg wie de sleutel van de kluis had. Zij heeft toen de sleutel gepakt. Zij moest mee naar de kluis. In de kluis zat een gele bankzak met ongeveer € 15.000,-. Ook zaten er lades in de kluis die de overvaller wilde hebben. Zij heeft gezien dat de overvaller een greep deed naar het muntgeld in rolletjes vanuit de lades.
[betrokkene 5] heeft verklaard (p. 757 e.v.) dat zij medewerkster is van de C1000 en dat zij boven het pand woont. Toen zij op 10 december 2009 's ochtends vroeg het pand wilde betreden, kreeg zij het idee dat er iets niet goed was. Zij moest gelijk denken aan de week daarvoor. Het was toen ook donderdagochtend en ook rond 06.30 uur. Zij zag toen tegenover de personeelsingang een man staan kijken. Zij kreeg de indruk dat de man niet gezien wilde worden. Hij was geheel in het zwart gekleed.
Het hof leidt uit de volgende bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang bezien - af dat verdachte als één van de overvallers bij de overval op de Cl000 betrokken was.
* Op 30 november 2009 is er een telefoongesprek tussen verdachte en [betrokkene 1] (p. 797), waarin verdachte vraagt of [betrokkene 1] een nummer van [betrokkene 2] op Curaçao weet. [betrokkene 1] zegt dat hij niets van [betrokkene 2] heeft gehoord. Verdachte vraagt vervolgens: 'En dat ding dat hij had, je weet niet waar het is'. [betrokkene 1] vraagt: 'Die handdingen?' Verdachte zegt: 'Ja', waarop [betrokkene 1] zegt dat hij die aan een vent heeft uitgeleend. [betrokkene 1] vraagt tijdens het telefoongesprek of het woensdag nog door gaat. Verdachte zegt: 'Als het goed is wel' en dat hij er mee bezig is. [betrokkene 1] zegt dat hij morgen die hoofddingen gaat kopen. Op het moment dat [betrokkene 1] praat over de hoofddingen wordt hij onderbroken door verdachte. Hij zegt: 'Ja, ja spreek... .niet... ik spreek daar met jou daarover, ja.'
* Op 1 december 2009 vindt er een gesprek plaats tussen verdachte en [betrokkene 2] (p. 1025). Verdachte vraagt aan [betrokkene 2] waar het schietding is. [betrokkene 2] zegt dat [B] dat nodig heeft. Verdachte vraagt of hij hem niet bij hem kan pakken. [betrokkene 2] zegt: 'Ja' en dat hij hem wel zal bellen. [betrokkene 2] vraagt wanneer verdachte dat ding nodig heeft. Verdachte zegt: 'Voor woensdag, voor woensdag dus morgen heb ik hem nodig voor overmorgen.’
* Op 14 januari is [betrokkene 8] door de politie gehoord (p. 957 e.v.). Zij heeft verklaard dat zij wel eens gezien heeft dat [betrokkene 2] een pistool in bezit had.
Het hof leidt uit bovengenoemde bewijsmiddelen af dat [betrokkene 2] in het bezit is geweest van een vuurwapen en dat verdachte ongeveer een week voor de overval op zoek is naar een vuurwapen en om die reden [betrokkene 1] vraagt of hij een nummer heeft van [betrokkene 2]. Daarna is er daadwerkelijk telefonisch contact tussen [betrokkene 2] en verdachte en uit het gesprek blijkt dat [betrokkene 2] zal regelen dat verdachte het ‘schietding’ krijgt. Tegen deze achtergrond alsmede in het licht van de opmerking van verdachte in het gesprek met [betrokkene 1] dat hij niet moet spreken en bij gebreke van een andere uitleg van de kant van verdachte dan wel anderszins voor de gebruikte termen, begrijpt het hof dat in het gesprek tussen verdachte en [betrokkene 1] met het "ding" of de "handdingen" een vuurwapen is bedoeld en met "hoofddingen" bivakmutsen zijn bedoeld.
* Op 1 december 2009, 19.40 uur (p. 798) is er een telefoongesprek tussen verdachte en [betrokkene 1]. Verdachte vraagt aan [betrokkene 1] of hij voor vanavond klaar is. [betrokkene 1] vraagt of het voor vanavond is. Verdachte zegt dat ze gaan kijken.
* Op 1 december 2009, 22.55 uur (p. 799) wordt er weer gebeld tussen verdachte en [betrokkene 1]. Verdachte zegt dat ze morgenochtend gaan kijken. Verdachte vertrekt om half zes van huis en is dan zes uur bij het huis van [betrokkene 1]. [betrokkene 1] vraagt: 'Zes uur 's morgens?' Verdachte zegt: 'Ja, je moet daar toch voor zeven uur zijn toch? Vanaf kwart over zes moet je daar zijn toch?' Verdachte zegt: 'Ik ben ongeveer half zes bij jullie.'
* Op 2 december 2009 om 5.03 uur (p. 800) is er een gesprek tussen verdachte en [betrokkene 1]. Verdachte zegt dat hij er aan komt. [betrokkene 1] vraagt of ze dat ding niet gaan halen. Verdachte zegt dat ze alleen gaan kijken. [betrokkene 1] zegt dat hij alles al heeft. Verdachte zegt opnieuw dat ze alleen gaan kijken.
Het hof leidt hieruit - in onderling verband en samenhang met de overige bewijsmiddelen - af dat [betrokkene 1] en verdachte de overval een week tevoren afleggen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de overval een week later op ongeveer hetzelfde tijdstip van de dag zal plaatsvinden. Voorts neemt het hof in aanmerking het gegeven dat het regelmatig voorkomt dat een geplande overval wordt voorbereid door tevoren de situatie ter plekke te gaan bekijken in combinatie met de verklaring van de medewerkster van de Cl000 dat zij in de week voor de overval 's ochtens vroeg een man heeft gezien, die naar de personeelsingang keek en die zich zodanig gedroeg dat zij de indruk had dat hij niet gezien wilde worden. Weliswaar spreekt deze getuige van een andere datum, maar het hof acht het aannemelijk dat zij zich heeft vergist dan wel dat de verkenning op meer dagen heeft plaatsgevonden. Er zijn van de betrokkenen (waaronder verdachte) geen verklaringen afgelegd over de inhoud van de gesprekken, zodat het hof niet over aanwijzingen beschikt dat de gesprekken anders uitgelegd moeten worden dan het hof heeft gedaan.
* Op 9 december 2009, 23.15 uur, is er een gesprek tussen [betrokkene 1] en verdachte. Verdachte zegt dat ze zo naar [betrokkene 1] komen. [betrokkene 1] zegt dat hij alles heeft. Verdachte vraagt: 'Dus alle twee de brommers?' [betrokkene 1] zegt: 'Ja, alles, alles'.
* Op 26 januari 2010 is [betrokkene 9] gehoord (p. 793 e.v.). Hij heeft verklaard dat hij in Millingen aan de Rijn woont en dat hij op 10 december 2009 om 5.30 uur van huis is weggereden. Toen hij op de Heerbaan reed zag hij twee bromfietsen naderen. Volgens hem was de voorste bromfiets een scootermodel waarop twee personen zaten. De personen waren in het donker gekleed. De achterste bromfiets was een model damesbromfiets, merk Tomos. Op die bromfiets zat maar één persoon. Ook hij was in het donker gekleed. Hij vond het voorval vreemd omdat rond dat tijdstip geen jonge jongens op bromfietsen in de richting van het centrum van Millingen rijden. Hij heeft die bromfietsers ongeveer om 05.40 uur gezien.
* Volgens het relaas proces-verbaal (p. 815) werd op 22 december 2009 tussen 06.30 en 07.00 uur gepoogd de Coop in Nijmegen te overvallen. In de omgeving van de Coop werden twee verdachten aangetroffen. Zij waren in het bezit van bivakmutsen. Dit waren [betrokkene 1] en [betrokkene 10]. In de omgeving werd een Tomos bromfiets aangetroffen. Aan de hand van schoensporen en chassisnummer (welke op naam stond van [betrokkene 10] (p. 830) werd vastgesteld dat deze bromfiets was gebruikt en geparkeerd door [betrokkene 1] en [betrokkene 10]. In de omgeving werden kort daarop nog twee personen op een bromfiets aangetroffen, namelijk [betrokkene 11] en [betrokkene 12].
* [betrokkene 10] heeft bij de politie verklaard (p. 1181 e.v.) dat hij en [betrokkene 1] van plan waren een beroving te plegen. Behalve hij en [betrokkene 1] waren er nog twee andere jongens bij betrokken. Eén van die jongens was [betrokkene 11].
* In een telefoongesprek tussen [betrokkene 1] ([betrokkene 1]) en [betrokkene 11] (de halfbroer van [betrokkene 1]) op 23 december 2009 (p.895) wordt - zakelijk weergegeven - opgemerkt dat één brommer, die van [betrokkene 10], door politie in beslag is genomen en dat ze nu nog maar één brommer hebben.
Het hof leidt hieruit - in onderling verband en samenhang met de overige bewijsmiddelen - af dat [betrokkene 1] deel uitmaakte van een groep die kennelijk van brommers gebruik maakte dan wel had gemaakt bij het plegen van een overval of meer overvallen en daarvóór de beschikking had over twee brommers. In combinatie met de inhoud van de eerdere telefoongesprekken tussen [betrokkene 1] en verdachte over onder meer twee brommers en de bivakmutsen en vuurwapen, de waarneming van de getuige [betrokkene 9] van twee brommers met drie personen op de ochtend van 10 december 2009, leidt het hof hieruit af dat de twee brommers op 10 december 2009 onder meer door verdachte zijn ingezet voor het plegen van de tenlastegelegde overval.
* In het relaas proces-verbaal (p. 691) wordt opgemerkt dat er op 5 en 6 januari 2010 in diverse woningen doorzoekingen plaatsvonden. In de woning van de oma van verdachte werd een geldbedrag van enkele duizenden euro's aangetroffen bestaande uit biljetten en muntrolletjes, zoals deze doorgaans in het commerciële geldcircuit worden gebruikt. Dit geld werd aangetroffen onder in een wasmand.
* Op 6 januari 2010 werd de oma van verdachte in haar woning gehoord (p. 605). Zij heeft verklaard dat haar kleinkind, verdachte, regelmatig bij haar komt. Zij is boos op hem omdat hij zonder haar medeweten de zakken in haar slaapkamer heeft gelegd. Het zijn de zakken die haar getoond zijn en waarin dat geld zat. Zij heeft hem wel met de zakken zien lopen.
* Bij de rechter-commissaris heeft de oma verklaard dat zij niet bij de politie heeft verklaard dat verdachte de zakken met kleingeld in de wasmand heeft gelegd. Zij heeft gezegd dat verdachte dat misschien daar had neergelegd. Verdachte is gewend om bij haar te komen. Zij heeft wel gedacht dat verdachte het geld daar neergelegd zou kunnen hebben.
Voor het bewijs van het tenlastegelegde zal het hof de verklaring van de oma bezigen die zij heeft afgelegd bij de rechter-commissaris. Uit die verklaring volgt dus dat verdachte in de tijd van de overval regelmatig bij zijn oma kwam en dat zijn oma er rekening mee heeft gehouden dat de verdachte het geld daar heeft neergelegd. Uit de verklaring van de oma is niet gebleken dat er nog andere personen zijn van wie aannemelijk is dat zij het geld daar hebben neergelegd.
Het hof leidt uit het voorgaande af dat het geld dat bij de oma is gevonden door (toedoen van) de verdachte in de woning is neergelegd en afkomstig is van de overval op de Cl000. Verdachte kwam in die tijd regelmatig bij zijn oma en een gedeelte van het geld bestond uit rollen met kleingeld, terwijl bij de C1000 tijdens de overval dergelijke rollen zijn meegenomen en er bewijsmiddelen zijn waaruit de relatie tussen de verdachte en de overval op de C1000 ook anderszins blijkt.”