Conclusie
[eiser 1],
[eiseres 2],
1.Feiten en procesverloop
[a-straat 1 A t/m F] te[plaats] – hierna te noemen “het gebouw”–, kadastraal bekend (…).
[001], appartementsindex 3;
Artikel 9
2.Beoordeling van het cassatieberoep
bovenhet gebouw niet worden aangemerkt als een voor privé-gebruik vatbaar gedeelte
vanhet gebouw als bedoeld in art. 5:106 lid 4 BW Pro [21] , zodat de cassatieklachten ook bij gegrondbevinding niet tot een andere uitkomst kunnen leiden.
ruimte bovenhet dak van de waterkamer, maar op het
dakvan de waterkamer
,zodat het verzoek sub b. alleen al op grond van zijn formulering moet worden afgewezen (verweerschrift in appel, onder 46; vgl. pleitnotities mr Koops d.d. 16 juni 2011, onder 10). De verwerping van dit verweer ligt besloten in de overweging van het hof dat de door hem aan de splitsingsstukken gegeven uitleg voor wat betreft gedeelte (c) – de ruimte boven de waterkamer –
overeenkomtmet hetgeen in de vergadering van 19 april 2011 besloten is (rov. 2.12). Ook over die verwerping wordt in cassatie niet geklaagd.
anderestukken dat de splitsingsstukken te hulp moeten worden geroepen en vervolgens bij zijn uitleg de ontwerptekeningen van de architect, de bouwaanvraag en de bouwvergunning betrekt. Geklaagd wordt dat het hof heeft miskend dat de bij de uitleg van de splitsingsstukken in aanmerking te nemen partijbedoeling
uitsluitendkan worden afgeleid uit de
indie splitsingsstukken opgenomen, in onderling verband te beschouwen tekstuele omschrijving en intekening van de privé-gedeelten. Het hof had op bedoelde andere stukken en de daaruit mogelijk af te leiden opzet en indeling van het gebouw derhalve geen acht mogen slaan, aldus het onderdeel.
onderdeel 2.2dat het hof in rov. 2.9 – waar het op grond van de in rov. 2.8 gevonden aanwijzingen vaststelt dat sprake is van verschillende mogelijke interpretaties en (zo begrijp ik) vervolgens de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van die mogelijke interpretaties onderzoekt – heeft miskend dat indien zich een tegenstrijdigheid tussen de tekstuele omschrijving en de splitsingstekening aandient, aan de splitsingstekening in beginsel beslissende betekenis moet worden toegekend. Subsidiair klaagt
onderdeel 2.3dat het hof heeft miskend dat in het onderhavige geval, dat gekenmerkt wordt door de in het onderdeel aangegeven omstandigheden (i) t/m (iv), in beginsel beslissende betekenis moet worden toegekend aan de splitsingstekening, dan wel zijn oordeel dat de tekening in casu niet beslissend is ontoereikend heeft gemotiveerd.
welkeomstandigheden bij een objectieve uitleg van leverings- en vestigingsakten in aanmerking mogen worden genomen. Er is op gewezen dat in de rechtspraak van Uw Raad geen ratio wordt gegeven voor de hier bedoelde uitlegnorm. Nu deze norm niet wordt toegepast op leverings- en vestigingsakten met betrekking tot andere goederen dan registergoederen – zoals een pand- of cessieakte – kan de ratio ervan kennelijk niet (uitsluitend) worden gezocht in het gegeven dat het gaat om een akte ter overgang of vestiging van een goederenrechtelijk en dus aan derden tegenstelbaar recht. Die ratio lijkt dan ook vooral te moeten worden gezocht in het voor registergoederen geldende stelsel van publiciteit en de betrouwbaarheid van de openbare registers. [30] Uw Raad heeft deze ratio onlangs nog in een andere context bevestigd. [31] In het verlengde van deze ratio moet naar mijn mening worden aangenomen dat bij de uitleg van leverings- en vestigingsakten een beperking geldt ten aanzien van de in aanmerking te nemen gegevens: deze zullen objectief (d.w.z. voor derden)
uitdan wel
aan de hand vande ingeschreven akte kenbaar moeten zijn. [32] Aan die voorwaarde voldoet het geval dat het te leveren perceel in de akte slechts wordt omschreven met een kadastrale aanduiding. Een niet in de registers ingeschreven (concept)tekening kan echter geen rol spelen. [33] Voorts kan meewegen hetgeen blijkt uit de plaatselijke situatie waarnaar de omschrijving verwijst. [34] Er geldt, kortom, dat de uitleg zich beperkt tot hetgeen de akte openbaart. [35] Aan andere voor derden kenbare bronnen komt geen rol toe. [36] Hetzelfde geldt voor het feitelijk gebruik dat van het object wordt gemaakt [37] en voor fysieke kenmerken van het object (zoals de feitelijke begrenzing) die niet in de akte worden vermeld en waarnaar de akte overigens ook geen enkele verwijzing bevat. [38]
eersteklacht valt niet in te zien dat bedrijfsruimte naar algemeen spraakgebruik niet een buitenruimte zou kunnen omvatten.
van het gebouw”(cursivering A-G) naar algemeen spraakgebruik betrekking heeft op ruimte
inhet gebouw is feitelijk en niet onbegrijpelijk. De klacht mist feitelijke grondslag voor zover [eisers] menen dat het hof heeft geoordeeld dat “bedrijfsruimte” naar algemeen spraakgebruik niet een buitenruimte zou kunnen omvatten.
tweedewordt als onbegrijpelijk aangemerkt het oordeel van het hof dat de omschrijving geen betrekking heeft op de buitenruimten, en dat het voor de hand zou hebben gelegen deze afzonderlijk te vermelden. Het onderdeel betoogt daartoe, samengevat, dat, naar [eisers] hebben aangevoerd, gelet op de verwijzing in de akte naar de op de tekening met de cijfers 1 tot en met 6 aangegeven privé-gedeelten, de woorden “in het gebouw” het gehele perceel inclusief de buitenruimte beschrijven.
onderdelen 2.5 en 3behoeven geen bespreking.