Conclusie
onder I.1is gericht tegen rov. 3 en 6 van de bestreden beschikking en betoogd dat het hof de inhoud van de erkenningsbeschikking niet ten grondslag had mogen leggen aan de afwijzing van het adoptieverzoek en derhalve in strijd heeft gehandeld met art. 24 Rv Pro dan wel art. 149 Rv Pro. Het middel
onder I.2bouwt hierop voort en voert aan dat, zo het hof de inhoud van de erkenningsbeschikking aan zijn adoptiebeschikking ten grondslag mocht leggen, het hof daarmee een verboden aanvulling van de rechtsfeiten heeft gegeven en/of het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden. Uit HR 21 november 2008 [3] zou immers volgen dat processtukken en producties die worden ingediend in de ene zaak niet van rechtswege beschouwd dienen te worden als processtukken in de andere (daarmee samenhangende) zaak. Het middel
onder I.3betreft een veegklacht.
onder II.1voert aan dat het hof in rov. 6 van de bestreden beschikking het ouderschapsbegrip van art. 1:227 lid 3 BW Pro heeft miskend. De klacht faalt op grond van hetgeen is uiteengezet met betrekking tot het middel onder I.1.
onder II.2betoogt kort gezegd dat het hof in rov. 6 heeft miskend dat de verwekker alleen als zodanig kan worden gekwalificeerd indien tevens vaststaat dat er tussen hem en het kind ‘family life’ in de zin van art. 8 EVRM Pro bestaat. Ook deze klacht faalt, omdat zij berust op een verkeerde lezing van de beschikking. Het hof heeft geoordeeld dat het kind nog iets van de man heeft te verwachten in de zin van art. 1:227 lid 3 BW Pro en heeft dat oordeel (mede) gebaseerd op het op 1 maart 2011 tussen partijen opgemaakte en door hen ondertekende ouderschapsplan. [8] Dit oordeel impliceert tevens dat tussen de man en het kind ‘family life’ in de zin van art. 8 EVRM Pro bestaat. [9]
II.3 t/m II.7bouwen voort op eerder aangevoerde klachten en delen hun lot.
onder IIIvoert aan dat het hof in rov. 6 het wettelijke criterium van art. 1:227 lid 3 BW Pro met betrekking tot de te verwachten invulling van het ouderschap van de man heeft miskend. Het hof zou, ten aanzien van de vraag of de man betrokken is (geweest) bij de opvoeding van het kind, een onbegrijpelijke uitleg hebben gegeven aan ten processe gestelde en gebleken feiten (onderdeel III.1) en aan het ouderschapsplan (onderdeel III.2). Verder stelt het middel onder III.3 dat uit de parlementaire geschiedenis van art. 1:227 lid 3 BW Pro volgt dat het gaat om het hebben van ouderlijke verantwoordelijkheid bij de opvoeding van het kind en dat het hof die maatstaf heeft miskend. Dat de ouder een rol
wilblijven spelen, is derhalve niet voldoende (onderdeel III.4). Ten slotte staat volgens het middel vast – mede getuige het ouderschapsplan – dat de vrouw en de moeder de verantwoordelijkheid dragen voor de verzorging en opvoeding van het kind en het ouderlijk gezag hebben. Reeds om die reden zou de man geen invulling kunnen geven aan de verzorging en opvoeding van het kind (onderdeel III.5). Onderdeel III.6 betreft een veegklacht.
conclusiestrekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.