ECLI:NL:PHR:2013:45

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 juni 2013
Publicatiedatum
8 juli 2013
Zaaknummer
13/01466
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 17 Rijkswet op het NederlanderschapArt. 1 Wet op het NederlanderschapArt. 3 Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteitenArt. 5 lid 2 Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep inzake vaststelling Nederlandse nationaliteit

Verzoekster heeft bij de rechtbank ’s-Gravenhage een verzoek ingediend tot vaststelling van de Nederlandse nationaliteit op grond van art. 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). De rechtbank heeft dit verzoek bij beschikking van 20 december 2012 afgewezen. Verzoekster stelde beroep in cassatie in tegen deze beschikking.

De rechtbank oordeelde dat verzoekster bij haar geboorte in 1950 de Nederlandse nationaliteit verkreeg en deze op grond van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten (TOS) tussen Nederland en Suriname heeft behouden. Van 7 januari 1982 tot 22 augustus 2012 had verzoekster haar woonplaats in Suriname, waardoor zij op 7 januari 1984 van rechtswege de Surinaamse nationaliteit verkreeg volgens art. 5 lid 2 TOS Pro.

De klachten van verzoekster tegen deze beoordeling werden door de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie konden leiden. De Hoge Raad bevestigde dat de tweejaarstermijn van art. 5 lid 2 TOS Pro aanvangt bij feitelijke vestiging in Suriname, niet bij het moment van besluit tot langdurig verblijf. Verzoekster had onvoldoende feiten aangevoerd om het oordeel van de rechtbank te weerleggen.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekte tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep op grond van art. 80a RO. De Hoge Raad volgde dit advies en verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek tot vaststelling van de Nederlandse nationaliteit is afgewezen.

Conclusie

Zaak 13/01466
Mr. P. Vlas
Zitting, 28 juni 2013
Conclusie inzake art. 80a RO:
[verzoekster],
verzoekster tot cassatie,
tegen
De Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst)
1. Bij beschikking van 20 december 2012 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage het verzoek van verzoekster tot vaststelling van de Nederlandse nationaliteit op de voet van art. 17 Rijkswet Pro op het Nederlanderschap (RWN) afgewezen. Tegen deze beschikking heeft verzoekster tijdig beroep in cassatie ingesteld.
2. De rechtbank heeft overwogen dat verzoekster bij haar geboorte op [geboortedatum] 1950 op grond van art. 1 aanhef Pro en onder a van de (toenmalige) Wet op het Nederlanderschap en het Ingezetenschap de Nederlandse nationaliteit verkreeg en dat zij die nationaliteit op 25 november 1975 op grond van art. 3 van Pro de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (Trb. 1975, 132; hierna: TOS) heeft behouden. Van 7 januari 1982 tot 22 augustus 2012 had verzoekster haar woonplaats in Suriname. De rechtbank heeft geoordeeld dat verzoekster op grond van art. 5 lid 2 TOS Pro op 7 januari 1984 van rechtswege de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen (rov. 4.2).
3. De tegen rov. 4.2. van de bestreden beschikking aangevoerde klachten rechtvaardigen geen behandeling in cassatie, omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Daartoe geldt het volgende. De klacht onder 3.2 miskent dat het vervallen van art. 5 lid 2 TOS Pro slechts terugwerkende kracht heeft tot 1 januari 1986 [1] , zodat deze bepaling op de onderhavige zaak van toepassing is, nu de verzoekster op 7 januari 1984 twee jaar in Suriname woonplaats had en derhalve de in art. 5 lid 2 TOS Pro genoemde tweejaarstermijn reeds vóór 1 januari 1986 was verstreken. De klacht mist feitelijke grondslag, voor zover wordt betoogd dat verzoekster op 7 januari 1982 geen woonplaats in Suriname had. In het verzoekschrift aan de rechtbank heeft verzoekster gesteld dat zij ‘eerst na 1980, (…), haar werkelijk verblijf naar Suriname’ heeft verplaatst. Verzoekster heeft in feitelijke instantie niet meer aangevoerd over een exacte datum waarop haar verblijf in Suriname is aangevangen, zodat de rechtbank op grond van de haar ter beschikking staande gegevens heeft kunnen oordelen dat verzoekster van 7 januari 1982 tot 22 augustus 2012 haar woonplaats in Suriname had (rov. 4.1). De tweejaarstermijn van art. 5 lid 2 TOS Pro vangt aan op het moment van feitelijke vestiging in Suriname en niet eerst op het moment waarop verzoekster heeft besloten zich voor langere tijd in Suriname te vestigen, zie HR 19 december 2003, LJN: AL8544, NJ 2009/338. Hierop stuiten de klachten onder 3.3 en 3.4 af.
4. De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie art. 1 lid 2 van Pro het Protocol tot wijziging van de TOS, gesloten op 14 november 1994, Trb. 1994, 280.