ECLI:NL:PHR:2013:45
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep inzake vaststelling Nederlandse nationaliteit
Verzoekster heeft bij de rechtbank ’s-Gravenhage een verzoek ingediend tot vaststelling van de Nederlandse nationaliteit op grond van art. 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). De rechtbank heeft dit verzoek bij beschikking van 20 december 2012 afgewezen. Verzoekster stelde beroep in cassatie in tegen deze beschikking.
De rechtbank oordeelde dat verzoekster bij haar geboorte in 1950 de Nederlandse nationaliteit verkreeg en deze op grond van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten (TOS) tussen Nederland en Suriname heeft behouden. Van 7 januari 1982 tot 22 augustus 2012 had verzoekster haar woonplaats in Suriname, waardoor zij op 7 januari 1984 van rechtswege de Surinaamse nationaliteit verkreeg volgens art. 5 lid 2 TOS Pro.
De klachten van verzoekster tegen deze beoordeling werden door de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie konden leiden. De Hoge Raad bevestigde dat de tweejaarstermijn van art. 5 lid 2 TOS Pro aanvangt bij feitelijke vestiging in Suriname, niet bij het moment van besluit tot langdurig verblijf. Verzoekster had onvoldoende feiten aangevoerd om het oordeel van de rechtbank te weerleggen.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekte tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep op grond van art. 80a RO. De Hoge Raad volgde dit advies en verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek tot vaststelling van de Nederlandse nationaliteit is afgewezen.