De verdachte werd door de politierechter veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken wegens diefstal. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in bij het gerechtshof Arnhem. Het hof verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in haar hoger beroep omdat zij niet binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur houdende grieven had ingediend. De verdachte en haar raadsman verschenen niet op de terechtzitting in hoger beroep, waarna verstek werd verleend.
De raadsman van de verdachte stelde in cassatie dat het hof ten onrechte art. 416, tweede lid, Sv had toegepast, omdat de schriftuur houdende grieven wel tijdig was ingediend. Bij de cassatieschriftuur werden faxrapporten gevoegd waaruit blijkt dat op 13 oktober 2010 om 21:42 uur een appelschriftuur per fax naar de strafgriffie van de rechtbank was verzonden, binnen de veertien-dagentermijn.
Hoewel het hof deze stukken niet in het dossier had en daarom de verdachte niet-ontvankelijk verklaarde, oordeelt de Hoge Raad dat uit de faxrapporten en het verzendjournaal een ernstig vermoeden voortvloeit dat de schriftuur wel degelijk tijdig is ontvangen. Hierdoor is de niet-ontvankelijkverklaring onbegrijpelijk en onjuist.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep. De zaak wordt daarmee opnieuw berecht en afgedaan.