5. De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen houden het volgende in:
- in de middag waarop het bewezenverklaarde feit heeft plaatsgevonden, hebben in de tijd van circa een kwartier voorafgaande aan de bewezenverklaarde aanrijding drie bijna-aanrijdingen plaatsgevonden tussen een zwarte Audi Cabrio en een voor deze van links komende auto;
- de toedracht van deze bijna-aanrijdingen was gelijk aan de toedracht van de bewezenverklaarde botsing met dien verstande dat een botsing niet plaatsvond dan wel op het laatste moment kon worden voorkomen door ingrijpen van de bestuurder die voor de bestuurder van de Audi Cabrio van links kwam;
- na iedere bijna-aanrijding reed de bestuurder van de Audi Cabrio terug naar de plaats van waar hij de Kraanmeer vanaf een zijweg, ook Kraanmeer geheten, opreed;
- de T-kruising van de Kraanmeer met de zijweg was een kruising van wegen van gelijke orde; de bestuurders van de voor de bestuurder van de Audi van links komende motorrijtuigen dienden derhalve voorrang te verlenen aan de bestuurder van de Audi; het zicht voor die bestuurders op verkeer dat uit de zijweg kwam was beperkt door een dicht op hun rijbaan staande woning met in de tuin struiken en bomen;
- ten tijde van die (bijna) aanrijdingen bevond zich in de nabijheid van de plaats waar die (bijna) aanrijdingen plaatsvonden een bellende persoon die opgaf te zijn [verdachte] uit [plaats];
- verdachte heet [verdachte] en woont te [plaats];
- deze persoon stond ongeveer 25 m voor de T-splitsing aan de linkerzijde van de doorgaande rijbaan van de Kraanmeer, gerekend vanuit de richting waaruit de bestuurders kwamen die betrokken waren bij de (bijna) aanrijdingen;
- bij alle drie bijna-aanrijdingen en de onderhavige aanrijding stond deze man te bellen;
- na de bijna-aanrijdingen waren de bellende persoon en de bestuurder van de Audi (hard) aan het lachen;
- de Audi Cabrio werd bestuurd door [medeverdachte], een makker van verdachte;
- ten tijde van genoemde (bijna) aanrijdingen vond telefonisch contact plaats tussen het telefoontoestel waarvan het nummer op naam stond van [medeverdachte] en het telefoontoestel waarvan het nummer op naam stond van verdachte;
- op de dag van het onderhavige feit vond rond het middaguur uitwisseling van sms-berichten plaats tussen de telefoon van [medeverdachte] en de telefoon waarvan het nummer op naam stond van de verdachte; deze berichten houden een afspraak in tussen [medeverdachte] en [verdachte] uit [plaats] dat [verdachte] om half vier ‘s middags bij [medeverdachte] zal zijn; verdachte en [medeverdachte] achten het mogelijk dat zij die afspraak hebben gemaakt;
- de (bijna) aanrijdingen vonden die dag plaats tussen ongeveer half vijf en vijf uur ’s middags;
- vlak na de bewezenverklaarde aanrijding is met de telefoon van [medeverdachte] het alarmnummer 112 gebeld om het ongeval te melden;
- de telefoon van [medeverdachte] heeft kort voorafgaande aan de onderhavige aanrijding en 26 seconden voor de 112-melding in verbinding gestaan met de telefoon van [verdachte].
6. In aanmerking genomen dat [medeverdachte], zoals het Hof heeft overwogen, geen antwoord heeft willen geven op de vragen waarom hij op het Kraanmeer aanwezig was en waarom hij meerdere keren de kruising was opgereden en dat de verklaring van [medeverdachte] dat de aanrijding plaatsvond toen hij linksaf richting Erp wilde afslaan door het technisch onderzoek wordt weergesproken kan uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte en [medeverdachte] gezamenlijk het plan hadden opgevat om een aanrijding te veroorzaken op het Kraanmeer te Erp. Anders valt immers niet te verklaren waarom [medeverdachte] en verdachte ter plaatse waren, telefonisch contact hadden, [medeverdachte], wiens zicht op voor hem van links komend verkeer door een op de hoek van de doorgaande weg en de zijweg staande woning beperkt was, er in een tijdsbestek van ongeveer een kwartier in slaagde de doorgaande weg van de Kraanmeer tot drie maal toe op te rijden op een moment dat een aanrijding met een voor hem van links komende auto nauwelijks of niet was te voorkomen, en [medeverdachte] na een bijna-aanrijding steeds terugkeerde naar de zijweg van de Kraanmeer en vervolgens de doorgaande weg van de Kraanmeer wederom opreed op een ogenblik dat er voor hem van links een auto over de Kraanmeer naderde die zo dichtbij was dat een aanrijding nauwelijks of niet kon worden voorkomen.
7. In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats aangevoerd dat de bewijsmiddelen inhouden dat een jonge jongen stond te bellen. Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld is die omstandigheid niet onverenigbaar met het feit dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit 20 jaar oud was. Die leeftijd besluit immers niet uit dat verdachte naar zijn uiterlijk kan worden getypeerd als een jonge jongen, nog daargelaten dat “jongen” ook wel worden gebezigd om een jongmeerderjarig volwassen manspersoon aan te duiden.
8. In de tweede plaats wordt in de toelichting op het middel gesteld dat het Hof niet onbesproken heeft mogen laten de mogelijkheid dat een ander dan verdachte van zijn telefoon gebruik heeft gemaakt. Aldus wordt er echter aan voorbijgegaan dat die mogelijkheid door de gebezigde bewijsmiddelen, gelezen in onderling verband en samenhang, redelijkerwijs gesproken wordt uitgesloten.
9. Anders dan in de toelichting op het middel wordt aangevoerd staat aan toereikende motivering van de bewezenverklaring niet in de weg dat de inhoud van de tussen verdachte en [medeverdachte] gevoerde telefoongesprekken niet bekend is. Zoals onder 6 is uiteengezet kan uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, gelezen in onderling verband en samenhang, immers worden afgeleid dat verdachte aan [medeverdachte] door middel van de telefoon een teken gaf om de doorgaande weg van de Kraanmeer op te rijden op een moment dat een aanrijding met een voor [medeverdachte] van links komend voertuig nauwelijks of niet was te vermijden.