Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
- dat de vader zich jegens de vereffenaar verbindt om vóór 15 april 2009 zijn medewerking te verlenen aan de inschrijving van het merk “Universol” ter name van de zoon en de vader gezamenlijk;
- dat tussen de vader en de zoon is overeengekomen dat de zoon een (krachtens het testament onder bewind gesteld) aandeel van 60% en de vader een aandeel van 40% heeft in de gemeenschap als bedoeld in art. 3:166 BW Pro die hierdoor ontstaat;
- dat de vereffenaar ten behoeve van de zoon een BEM-rekening
2.Inleidende beschouwingen
in beginseleen beroep kan doen op zijn ouderlijk vruchtgenot [9] .
inkomstenuit het aldus onder bewind gestelde vermogen, is in het testament bepaald dat de bewindvoerder mag bepalen of, en zo ja in welke mate, deze aan de zoon ter beschikking worden gesteld. De formulering van het dictum van de kantonrechter laat ruimte voor de mogelijkheid dat (vervangende) toestemming van de kantonrechter wordt verkregen.
3.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
4.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
klacht onder Ahoudt in dat het oordeel van het hof in rov. 8 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip ‘burgerlijke vrucht’ en het opeisbaar worden daarvan. Volgens het cassatierekest onder 16 is het hof uitgegaan van de gedachte dat de beslissing van de bewindvoerder maakt dat de rente nog niet opeisbaar is, daarom geen vrucht is en dus ook niet valt onder het ouderlijk vruchtgenot van de vader. Volgens de klacht is die redenering onjuist: de op deze bankrekening gekweekte rente komt vanaf het tijdstip waarop de rente bij de bank opeisbaar is geworden toe aan de zoon als de rechthebbende. Dat de rente opeisbaar is, volgt volgens de vader reeds uit het feit dat zij door ABN AMRO op de rekening van de zoon is bijgeschreven. Anders dan het hof overweegt, is niet nodig dat de testamentair bewindvoerder eerst heeft bepaald dat de zoon over de rente mag beschikken.
klacht onder Bis voorwaardelijk voorgedragen. Indien het hof in rov. 8 heeft bedoeld dat de bewindvoerder gerechtigd is de uitkering aan de zoon van de op deze bankrekening bijgeschreven renten op te schorten, is daarvoor geen aanknopingspunt te vinden in de relevante wettelijke bepalingen (te weten art. 4:162 lid 1 BW Pro in verbinding met art. 4:171 lid 1 BW Pro). De bestreden zienswijze is volgens het middel ook niet te verenigen met de wettelijke bepalingen inzake het ouderlijk vruchtgenot.
klacht onder Cis eveneens voorwaardelijk voorgedragen. Zij houdt in dat, indien het hof heeft bedoeld dat op grond van zijn uitleg van het testament van de moeder moet worden aangenomen dat de moeder het ouderlijk vruchtgenot van de vader heeft willen inperken – op een wijze als bedoeld in art. 1:253m BW −, dat oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans onbegrijpelijk is: