ECLI:NL:PHR:2013:536

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 mei 2013
Publicatiedatum
27 augustus 2013
Zaaknummer
11/03033
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 411.2 SvArt. 413.1 SvArt. 588a.1 SvArt. 588a.4 SvArt. 590.3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid hoger beroep wegens niet tijdige dagvaarding en schorsingsverzuim

In deze zaak stond centraal of het Hof Amsterdam terecht het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep kon voortzetten nadat de dagvaarding niet tijdig was verzonden naar het door verdachte opgegeven adres. Verdachte had bij zijn eerste verhoor een adres opgegeven waar mededelingen over de strafzaak naartoe moesten worden gezonden. De dagvaarding werd echter pas kort voor de terechtzitting verzonden, waardoor de voorgeschreven termijn van tien dagen niet werd gerespecteerd.

Het Hof behandelde de zaak bij verstek en verklaarde verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep zonder het onderzoek te schorsen. Volgens de Hoge Raad had het Hof op grond van artikel 590 lid 3 Sv Pro het onderzoek moeten schorsen tenzij verdachte op de hoogte was of geen prijs stelde op berechting in zijn tegenwoordigheid. Dit onderzoek ontbrak, waardoor het onderzoek ter terechtzitting nietig is en de uitspraak moet worden vernietigd.

Het eerste middel van cassatie, gericht op het niet naleven van de verzendplicht en het niet schorsen van het onderzoek, wordt gegrond verklaard. Het tweede middel, dat klaagt over de niet-ontvankelijkverklaring van verdachte, behoeft geen bespreking. De Hoge Raad zal de bestreden uitspraak ambtshalve vernietigen en een passende beslissing nemen.

Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd wegens niet tijdige dagvaarding en het niet schorsen van het onderzoek, waardoor het hoger beroep nietig is.

Conclusie

Nr. 11/03033
Zitting: 21 mei 2013 (bij vervroeging)
Mr. Knigge
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. De 12e Enkelvoudige Strafkamer bij het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte bij arrest van 20 juni 2011 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4.Het eerste middel

4.1.
Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte het onderzoek ter terechtzitting niet ingevolge art. 590 lid 3 Sv Pro heeft geschorst, althans niet (toereikend) heeft gemotiveerd waarom schorsing achterwege kon blijven, nu niet tijdig overeenkomstig art. 588a Sv een afschrift van de dagvaarding van verdachte is verzonden naar het door verdachte bij zijn eerste verhoor opgegeven adres waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.
4.2.
De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) blijkens de GBA-gegevens stond verdachte vanaf 23 maart 2007 tot 30 mei 2008 ingeschreven op het adres [a-straat 1] te [plaats];
(ii) verdachte heeft bij zijn eerste verhoor op 11 augustus 2009 [a-straat 1] te [plaats] opgegeven als postadres voor mededelingen in strafzaken [1] ;
(iii) blijkens de GBA-gegevens stond verdachte vanaf 23 juli 2009 tot 1 september 2009 ingeschreven op het adres [b-straat 1] te [plaats] en vanaf 3 november 2009 op het adres [c-straat 1] te [plaats];
(iv) op 15 juli 2010 heeft verdachte op de wijze voorzien in art. 451a Sv hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Politierechter bij de Rechtbank te Amsterdam van 27 april 2010;
(v) de appeldagvaarding om te verschijnen ter terechtzitting bij het Hof op 20 juni 2011 is blijkens de bij de dagvaarding behorende akte van uitreiking op 22 april 2011 tevergeefs aangeboden op het GBA-adres [c-straat 1] te [plaats], nu de geadresseerde volgens mededeling van degene die zich op dat adres bevond daar niet woont noch verblijft, en op dezelfde datum teruggezonden naar het ressortsparket. Op 29 april 2011 is de dagvaarding aan de griffier van de Rechtbank uitgereikt, omdat de geadresseerde op de dag van aanbieding en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens op het op de akte van uitreiking vermelde adres, [c-straat 1] te [plaats], was ingeschreven, en is een afschrift van de dagvaarding naar het voormelde adres gezonden;
(vi) voorts is de appeldagvaarding blijkens een akte van uitreiking op 15 juni 2011 als gewone brief verzonden naar het adres [a-straat 1] te [plaats] [2] ;
(vii) op 20 juni 2011 heeft het Hof de zaak bij verstek behandeld en terstond mondeling arrest gewezen, waarbij de verdachte niet-ontvankelijk is verklaard in het hoger beroep. Ter zitting was verdachte noch een voor hem optredend advocaat aanwezig.
4.3.
Indien de verdachte bij zijn eerste verhoor in de desbetreffende strafzaak aan de verhorende ambtenaar een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden, dient een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen te worden toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres (art. 588a lid 1 onder a Sv). Bij deze verzending wordt de voor de dagvaarding of oproeping geldende termijn in acht genomen (art. 588a lid 4 Sv). Op grond van art. 413 lid Pro 1, eerste volzin, Sv moet tussen de dag waarop de dagvaarding aan de verdachte is betekend en die ter terechtzitting een termijn van tenminste tien dagen verlopen. Deze termijn geldt ook wanneer de zaak in hoger beroep door de enkelvoudige strafkamer van het Hof wordt behandeld, nu voor de appelprocedure bij de unus iudex, voor zover daarvan niet is afgeweken [3] , de gewone appelregels gelden. [4] Indien aan de verzendplicht ingevolge art. 588a niet of niet tijdig is voldaan, beveelt de rechter de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting, tenzij de verdachte – kort gezegd – van de dag van de terechtzitting of nadere terechtzitting op de hoogte was dan wel kennelijk geen prijs stelt op berechting in zijn tegenwoordigheid (art. 590 lid 3 aanhef Pro en onder a en b Sv).
4.4.
Uit het voorgaande onder 4.2. (ii) volgt dat de verdachte bij zijn eerste verhoor in de onderhavige strafzaak aan de verhorende ambtenaar een adres in Nederland, [a-straat 1] te [plaats], heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Op 15 juni 2011 is overeenkomstig art. 588a lid 1 onder a Sv een afschrift van de dagvaarding van verdachte om 20 juni 2011 ter terechtzitting van het Hof te verschijnen naar voornoemd adres verzonden. [5] Bij de verzending is de voorgeschreven termijn van tien dagen evenwel niet in acht genomen en aldus is niet tijdig aan de verzendplicht ingevolge art. 588a voldaan. Het Hof, dat het onderzoek ter terechtzitting heeft voortgezet nadat verstek was verleend tegen de niet verschenen verdachte, had ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was om het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de terechtzitting tegenwoordig te zijn. Van een zodanig onderzoek blijkt niet. Dat verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak. [6]
4.5.
Het eerste middel is terecht voorgesteld.

5.Het tweede middel

5.1.
Het middel klaagt dat het Hof verdachte ten onrechte, althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, op grond van art. 416 lid 2 Sv Pro niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep.
5.2.
Nu het eerste middel slaagt, behoeft het tweede middel geen bespreking. Uiteraard ben ik, indien de Hoge Raad over het eerste middel anders zou oordelen, tot een aanvullende conclusie bereid.
6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv Pro gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

1.Proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 2009218323-13 van 11 augustus 2009 (p. 12-13). Uit dit proces-verbaal van verhoor verdachte blijkt tevens dat verdachte heeft verklaard ingeschreven te staan in het GBA op het adres [b-straat 1] te [plaats].
2.De akte van uitreiking is niet op de juiste wijze ingevuld. Per abuis is het gedeelte ingevuld inhoudende dat de advocaat-generaal verklaart dat de gerechtelijke brief als gewone brief is verzonden aan het op de akte van uitreiking vermelde adres van de geadresseerde in het buitenland, terwijl ingevuld had moeten worden het gedeelte inhoudende dat ingevolge art. 588a Sv een afschrift van de gerechtelijke brief naar het door de geadresseerde opgegeven adres (in onderhavige zaak: bij gelegenheid van zijn eerste verhoor) is verzonden. Nu hierover niet is geklaagd en nu uit de schriftuur kan worden afgeleid dat het afschrift de verdachte (zij het pas (kort) na de behandeling van zijn zaak) heeft bereikt, laat ik het bij deze enkele opmerking daarover.
3.Zie art. 425 en Pro 426 Sv. Art. 370 lid 1 Sv Pro, dat bepaalt dat de termijn van dagvaarding voor het rechtsgeding voor de Politierechter tenminste drie dagen is, is niet van overeenkomstige toepassing verklaard.
4.Zie G.J.M. Corstens (bewerkt door M.J. Borgers),
5.De stukken houden niets in waaruit kan volgen dat die verzending ingevolge het derde lid van art. 588a achterwege kon blijven. Hierbij merk ik nog op dat géén uitzondering op de verzendplicht van art. 588a lid 1 Sv wordt gevormd door het geval dat de verdachte ná zijn adresopgave bij de politie of justitie zijn inschrijving in de GBA heeft gewijzigd. Zie HR 27 november 2012, LJN BX4736, NJ 2012/695 waarin wordt geciteerd uit de memorie van toelichting bij het voorstel van wet dat heeft geleid tot de invoering van deze bepaling (Kamerstukken II 2004-2005, 29805, nr. 3, p. 24).
6.Zie bijvoorbeeld HR 18 september 2012, LJN BX4497, NJ 2012/541, HR 27 september 2011, LJN BR2079, NJ 2011/457 en HR 6 juli 2010, LJN BM5086.