Conclusie
[verdachte]
middelbehelst de klacht dat het Hof bij zijn oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat de verdachte opzet had op het plegen van voorbereidingshandelingen voor het begaan van het misdrijf moord dan wel doodslag of een ander bepaald misdrijf waarop een gevangenisstraf van acht jaar of meer staat (zaak C onder 1), blijk heeft gegeven van een onjuiste uitleg van het begrip ‘voorbereiding’, meer in het bijzonder van het in de delictsomschrijving opgenomen opzet, althans dat dit oordeel en de motivering onbegrijpelijk moeten worden geacht en/of dit oordeel onvoldoende met redenen is omkleed.
Vrijspraak
kennelijkbestemd zijn tot het begaan van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld. De wetgever heeft helderheid (en geen nieuwe regels) willen scheppen en heeft het woord ‘kennelijk’ geschrapt om duidelijk te maken dat de ‘subjectieve bestemming, het opzet van de dader, toereikend is voor strafbaarheid’. Aangezien de wetgever slechts verduidelijking nastreefde, lijkt de toelichting op de oude bepaling en de jurisprudentie daaromtrent nog steeds van toepassing. [1]