Conclusie
“De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
“Door het Hof gebezigde bewijsmiddelen
13.982.00+
€ 3.505.00+
Parket bij de Hoge Raad
Het gerechtshof Arnhem legde aan betrokkene een ontnemingsmaatregel op van € 25.000 wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit de handel in softdrugs over de periodes 16 september 2002 tot 31 mei 2004 en 1 november 2004 tot 19 januari 2005. Betrokkene stelde cassatie in met het middel dat het hof onvoldoende had gemotiveerd en onvoldoende nauwkeurig de bewijsmiddelen had aangeduid waarop het zijn vaststellingen baseerde.
Het hof had zich bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op eerdere strafarresten waarin betrokkene was veroordeeld voor Opiumwetdelicten, verklaringen van medeverdachte en betrokkene zelf, en een proces-verbaal van verbalisant met financiële gegevens. Het hof ging uit van een verkoop van ongeveer één kilo softdrugs per week met een winst van € 3.000 per kilo.
De Hoge Raad constateert dat het hof niet duidelijk heeft aangegeven op welk strafarrest het zich precies baseerde voor de periode 2002-2004, terwijl geen van de genoemde arresten een veroordeling voor die periode bevat. Hierdoor is de ontnemingsmaatregel voor die periode onvoldoende gemotiveerd en niet rechtsgeldig opgelegd.
De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. Tevens merkt de Hoge Raad op dat de redelijke termijn is overschreden, hetgeen bij een nieuwe beslissing in aanmerking moet worden genomen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende motivering van de ontnemingsmaatregel.