ECLI:NL:PHR:2013:606
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing herinvesteringsreserve bij wijziging van belang in HIR-lichaam en uitleg art. 15e Wet Vpb
De zaak betreft de toepassing van art. 15e (thans 12a) Wet op de vennootschapsbelasting 1969, die de verval van een herinvesteringsreserve (HIR) regelt bij wijziging van het belang in een HIR-lichaam. De belanghebbende was moedermaatschappij van een fiscale eenheid met een dochter die een HIR had gevormd na verkoop van onroerend goed in 2001. In 2004 vond een overdracht plaats waarbij de economische eigendom van een hotel werd overgedragen aan de dochter en de aandelen in de dochter aan een derde.
De kern van het geschil was of de HIR bij belanghebbende vrijviel op grond van art. 15e Wet Vpb, gezien het feit dat de herinvestering plaatsvond vóór de belangwijziging (de voorafoplossing). Rechtbank en Hof Arnhem oordeelden dat belanghebbende onafgebroken een herinvesteringsvoornemen had en dat art. 15e niet van toepassing was omdat de herinvestering vóór de overdracht van aandelen plaatsvond. De Inspecteur stelde dat de herinvestering feitelijk door de nieuwe aandeelhouder was gedaan en dat het doel en de strekking van de wet werden miskend als de HIR niet werd vrijgevallen.
De Advocaat-Generaal concludeerde dat art. 15e Wet Vpb een specifieke anti-misbruikbepaling is die strikt naar tekst moet worden uitgelegd. De voorafoplossing valt niet onder de bepaling omdat de wetgever de tekst niet had aangepast om deze situatie te bestrijden, ondanks dat hij hiervan op de hoogte was. Ook het beroep op fraus legis faalt omdat niet is voldaan aan de cumulatieve eisen. De Hoge Raad volgt deze conclusie en verklaart het cassatieberoep ongegrond.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard; art. 15e Wet Vpb wordt strikt naar tekst uitgelegd en de HIR viel niet vrij bij belanghebbende.