AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging arrest ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onvoldoende motivering bewijsmiddelen
In deze zaak heeft het Gerechtshof te Leeuwarden bij arrest van 20 mei 2011 aan verzoeker de verplichting opgelegd om een bedrag van € 223.447,40 aan de Staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Verzoeker stelde cassatie in tegen dit arrest met twee middelen.
Het eerste middel betrof een vermeende discrepantie tussen de vordering van de advocaat-generaal en het arrest over het bedrag van het ontnemingsbedrag. De Hoge Raad oordeelde dat het proces-verbaal van de terechtzitting en het arrest de primaire bronnen zijn voor de inhoud van de vordering en dat de vordering ter terechtzitting strekte tot het hogere bedrag van € 223.447,40, waardoor dit middel faalde.
Het tweede middel richtte zich op het ontbreken van een toereikende motivering door het hof omtrent de bewijsmiddelen waarop de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd. Het hof verwees slechts summier naar het BOOM-rapport, verklaringen en stukken in het dossier zonder de inhoud van deze bewijsmiddelen voldoende nauwkeurig weer te geven. De Hoge Raad oordeelde dat deze motivering ontoereikend is en vernietigde het arrest. De zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe beslissing met een juiste motivering.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens ontoereikende motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Voetnoten
1.Beide bedragen zijn op de vordering uitgeschreven als “zegge: tweehonderdduizend honderdéénentachtig euro en veertig euro cent.”
2.A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 2012, p. 177-178, P.H.P.H.M.C. van Kempen in Melai/Groenhuijsen e.a., Wetboek van Strafvordering, art. 311, aant. 4.2 en HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma.
3.Zoals in HR 11 mei 2004, LJN AO5698 het geval was. In de aan die uitspraak ten grondslag liggende zaak was sprake van een discrepantie tussen het arrest en de vordering ter terechtzitting enerzijds en het proces-verbaal van de terechtzitting anderzijds, waarbij evident was dat het proces-verbaal een foutieve weergave bevatte.
4.Zie bijvoorbeeld HR 28 april 1992, LJN AD1662, NJ 1992/657, en mijn ambtgenoot Machielse in zijn conclusie vóór HR 19 juni 2007, LJN BA1709, NJ 2007/507 m.nt. Schalken.
5.Zie o.a. 23 januari 2001, LJN ZD2212, NJ 2001/208 en HR 28 augustus 2007, LJN BA5629, NJ 2008/96, m.nt. Reijntjes.
6.Zie HR 26 maart 2013, LJN BV9087 en HR 29 juni 2010, LJN BM9426, NJ 2010/407.
7.Voorts komt uit het arrest niet naar voren dat het gaat om een verkort arrest en een aanvulling met bewijsmiddelen ontbreekt dan ook.
8.Dat betekent dat ik ambtshalve niet zal ingaan op het verstrijken van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase.