ECLI:NL:PHR:2013:621

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juli 2013
Publicatiedatum
30 augustus 2013
Zaaknummer
13/01083
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 362 RvArt. 283 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt wijziging partneralimentatie in hoger beroep en kostenberekening

De rechtbank ’s-Gravenhage bepaalde bij beschikking van 3 april 2012 dat de man aan de vrouw een partneralimentatie van € 475 per maand moest betalen. In hoger beroep verzocht de vrouw een verhoging tot € 773 per maand. Het hof ’s-Gravenhage begrensde de alimentatie tussen deze bedragen en stelde de behoefte van de vrouw op € 1.918 netto per maand vast, wat overeenkomt met 60% van het netto gezinsinkomen tijdens de relatie. De draagkracht van de man werd beoordeeld aan de hand van financiële gegevens uit 2011, inclusief een bijdrage voor de Zorgverzekeringswet. Het hof stelde de alimentatie vast op € 629 per maand.

De man stelde in cassatie dat het hof onredelijk handelde door de vrouw toe te staan haar eis in hoger beroep te wijzigen en dat het hof onvoldoende gemotiveerd had geoordeeld over de behoefte van de vrouw en zijn draagkracht. De Hoge Raad oordeelde dat het wijzigen en vermeerderen van de eis in hoger beroep is toegestaan op grond van art. 362 jo Pro. 283 Rv en dat het hof niet verplicht was op alle standpunten van de man in te gaan. Klachten over onvoldoende motivering en het niet meenemen van bepaalde lasten werden verworpen omdat het hof dezelfde financiële gegevens gebruikte als de rechtbank.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekte tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op grond van art. 80a RO. De Hoge Raad volgde dit advies en verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk, waarmee de uitspraak van het hof in stand bleef.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard en de partneralimentatie van € 629 per maand bleef gehandhaafd.

Conclusie

13/01083
mr. Keus
Zitting 12 juli 2013
Conclusie art. 80a RO inzake:
[de man]
(hierna: de man)
verzoeker tot cassatie
advocaat: mr. A.R. Bissessur
tegen
[de vrouw]
(hierna: de vrouw)
verweerster in cassatie
1. Bij beschikking van 3 april 2012 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud bepaald op € 475,- per maand.
2. In hoger beroep heeft de vrouw een partneralimentatie verzocht van € 773,- per maand.
3. Bij beschikking van 5 december 2012 heeft het hof ’s-Gravenhage de rechtsstrijd aldus begrensd dat, nu de man niet heeft geappelleerd, de ondergrens van de partneralimentatie wordt gevormd door € 475,- en de bovengrens door € 773,- per maand. Het hof heeft de behoefte van de vrouw op grond van een kostenberekening op € 1.918,- netto per maand bepaald en geconstateerd dat dit bedrag met 60% van het netto gezinsinkomen ten tijde van de relatie overeenkomt. Bij gebreke van actuele stukken heeft het hof de draagkracht van de man aan de hand van de stukken over 2011 beoordeeld en is het uitgegaan van dezelfde financiële gegevens als de rechtbank, alsmede van een in te houden bijdrage Zorgverzekeringswet. Het hof heeft de partneralimentatie nader bepaald op € 629,-.
4.
Onderdeel Abestrijdt
onder 9als onredelijk en onbegrijpelijk dat de vrouw in appel nieuwe gronden mocht aanvoeren, waar zij in eerste aanleg een alimentatie van slechts € 500,- had verzocht. De klacht berust op een onjuiste rechtsopvatting, omdat de vrouw haar verzoek in hoger beroep mocht wijzigen en vermeerderen (art. 362 jo Pro art. 283 Rv Pro).
Onder 11betoogt het onderdeel dat het hof,
“(d)oor slechts 60% van het vroegere (…) gezinsinkomen als enige maatstaf te hanteren”, heeft miskend dat alle door partijen aangevoerde omstandigheden van belang zijn. De klacht mist feitelijke grondslag, omdat het hof niet als enige criterium het vroegere gezinsinkomen heeft gehanteerd, maar van een gedocumenteerde kostenopstelling is uitgegaan en slechts heeft geconstateerd dat de uitkomst daarvan
“overigens”met 60% van dat inkomen overeenstemt.
Onder 12klaagt het onderdeel dat het hof niet op de uitvoerige (maar niet nader gespecificeerde) standpunten in het verweerschrift is ingegaan. De klacht miskent dat het hof niet was gehouden op alle standpunten van de man in te gaan en dat het passeren van bepaalde standpunten en stellingen het bestreden oordeel niet zonder meer onbegrijpelijk maakt. Het onderdeel werkt niet uit dat dit laatste hier wél het geval zou zijn.
Onder 14klaagt het onderdeel dat het hof niet heeft meegewogen dat de man in zijn verweerschrift heeft onderbouwd dat de vrouw tijdens de huwelijkse periode op bijstandsniveau heeft geleefd. De klacht kan niet tot cassatie leiden, reeds omdat het hof de behoefte van de vrouw op een gedocumenteerde kostenopgave en
nietop het huwelijkse gezinsinkomen heeft gebaseerd.
5.
Onderdeel Bbestrijdt het oordeel met betrekking tot de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man als onvoldoende gemotiveerd.
Onder 21herhaalt het in wezen de hiervoor al besproken klacht van onderdeel A onder 11. Voorts klaagt het onderdeel in algemene zin (
onder 16, 20, 22 en 23) over het feit dat het hof niet is ingegaan op hetgeen de man bij verweerschrift heeft aangevoerd en de stukken die hij daarbij heeft aangeleverd (maar die in het overgelegde procesdossier ontbreken). Zonder nadere verbijzondering en uitwerking kunnen deze klachten niet tot cassatie leiden. Overigens meen ik dat de klachten deels feitelijke grondslag missen. Zo wordt het hof onder 23 verweten geen rekening te hebben gehouden met de opstelling van lasten in het verweerschrift onder 3 A. De rechtbank is op p. 4 van haar beschikking reeds van de belangrijkste van de aldaar opgevoerde lasten uitgegaan, terwijl het hof blijkens rov. 8 is uitgegaan van dezelfde financiële gegevens als die waarmee de rechtbank rekening heeft gehouden.
6. De conclusie strekt tot een niet-ontvankelijkverklaring op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal