Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 2sluit hierbij aan met de klacht dat de rechtbank heeft gehandeld in strijd met de wettelijke bepalingen inzake de oproeping van de gerekestreerde (art. 271 – 276 Rv).
Onderdeel 3klaagt dat de rechtbank bovendien in strijd heeft gehandeld met art. 8 lid 9 Wet Pro Bopz, aangezien uit het proces-verbaal blijkt dat de advocaat van betrokkene geen contact met betrokkene heeft kunnen krijgen en derhalve niet namens betrokkene haar zienswijze heeft kunnen kenbaar maken naar aanleiding van de meningen en verklaringen van personen als bedoeld in het vierde, vijfde en zesde lid van art. 8.