Conclusie
,advocaat te Nieuwegein, beroep in cassatie ingesteld en een schriftuur voorgesteld houdende zeven middelen van cassatie. Vóór de rechtsdag heeft deze advocaat bij fax een schriftelijke toelichting op de voorgestelde cassatiemiddel ingezonden. [1]
eerste middelbehelst de klacht dat de door de raadsman van de opgeëiste persoon aan de rechtbank toegezonden stukken, voorzien van een 12 pagina’s tellende inventarisatielijst, niet zijn opgenomen in de bestreden uitspraak. Gesteld wordt dat de raadsman ter zitting van 7 februari 2013 bij zijn pleidooi heeft verklaard dat al die stukken als volledig overgenomen en ingelast dienden te worden beschouwd. Aldus is er volgens de steller van het middel sprake van schending de artikelen 18, 19 en 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
tweede middelklaagt over de overweging van de rechtbank ten aanzien van de genoegzaamheid van de stukken.
14.Het derde middel luidt als volgt. Ik citeer:
Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die aan de toelaatbaarheid van de uitlevering in de weg staan.”
vierde middelklaagt zoals blijkt uit de toelichting daarop over de samengevatte weergave door de rechtbank van het door de verdediging gevoerde verweer, voor zover inhoudende dat de opgeëiste persoon in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering nu wordt gevraagd, door functionarissen in de Verenigde Staten
zou zijngefolterd (onderstreping steller van het middel). Gesteld wordt dat niet sprake is geweest van veronderstelde foltering van de opgeëiste persoon, maar van foltering. Daartoe verwijst de steller van het middel naar de asielbeslissing van de staatssecretaris van Justitie van 8 oktober 2009, waaruit volgt dat de opgeëiste persoon als verdragsvluchteling dient te worden beschouwd zodat hij daardoor ingevolge het in art. 33 van Pro het Vluchtelingenverdrag verankerde beginsel van het verbod op refoulement beschermd wordt tegen gedwongen terugkeer naar de Verenigde Staten. Door het relaas van de opgeëiste persoon marginaal te toetsen en diens verweer samengevat weer te geven dat hij “gefolterd zou zijn” – terwijl uit de asielbeslissing van de staatssecretaris van Justitie van 8 oktober 2009 blijkt dat de opgeëiste persoon heeft verbleven in een land (te weten de Verenigde Staten), waarvan aannemelijk is gemaakt dat dat land die verdragsverplichtingen ten aanzien van hem niet nakomt – heeft de rechtbank volgens de steller van het middel de artikelen 3 EVRM en de 1 juncto 4 juncto 19, tweede lid, van het Handvest geschonden.
is”, doet niet af aan de begrijpelijkheid van de overweging van de rechtbank.
Strijd met het non-refoulementbeginsel
25.Beoordeling van het vijfde en het zesde middel
zevende middelklaagt over de verwerping door de rechtbank van het door de verdediging gevoerde verweer dat de opgeëiste persoon door de functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd. Geklaagd wordt dat de, ik citeer: ‘hele behandeling door de rechtbank Midden-Nederland’ in strijd is met art. 3 EVRM Pro respectievelijk 4 juncto art. 19, tweede lid, van het Handvest. Voorts klaagt het middel erover dat de rechtbank ‘als doekje voor het bloeden’ in de bestreden uitspraak het advies heeft opgenomen om aan Amerikaanse autoriteiten een terugkeergarantie naar Nederland te vragen, dit terwijl de opgeëiste persoon bij uitlevering aan de Verenigde Staten zal worden blootgesteld aan vormen van, ik citeer wederom, ‘machinaties en vormen van terreur’.