Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
prima facieeen discriminatie naar de VN-arbeidsvoorwaardenstatus en VN-sociale-zekerheidspositie van belanghebbendes moeder, doch mede beslissend voor uitsluiting van AOW-verzekering zijn belanghebbendes eigen statussen van (i) inwonend, (ii) niet-verdienend, (iii) niet-uitkeringsgerechtigd, (iv) vrijgesteld van premieplicht en (v) niet vrijwillig verzekerd. Alle voor verzekering relevante statussen zijn ‘onverdachte’ onderscheidingscriteria die gelden op een terrein van sociale-verzekeringregulering, zodat Nederland volgens de EHRM-rechtspraak geen
very weighty reasonsals rechtvaardiging behoeft voor die onderscheidingen. Nederland kan daarom mijns inziens binnen zijn
wide margin of appreciationmenen dat zich een relevant objectief verschil in omstandigheden voordoet (een ingezeten werknemer van een Nederlandse werkgever en haar inwonende, niet-verdienende, niet-uitkeringsgerechtigde, verplicht verzekerde en (dus) premieplichtige gezinsleden vallen niet exclusief onder het VN-remuneratie-, verzekerings- en belastingstelsel), en voorts menen - nu het niet gaat om onderscheid naar sekse, ras, geloof, etnische afkomst en dergelijke - dat het onderscheid gerechtvaardigd wordt door een
legitimate aim, nl. erkenning van de soevereiniteit en onafhankelijkheid van de VN (die geen lokale premieplicht wenste) en de bevoegdheid en aantrekkelijkheid van Nederland om VN-zetelovereenkomsten (mee) te sluiten, welk legitieme doel niet met disproportionele veronachtzaming van belanghebbendes belangen nagestreefd wordt. Het stond de belanghebbende voorts vrij om de door haar eventueel niet-gewenste status van VN-verzekerde af te schudden door te werken of niet meer in te wonen bij haar moeder vanaf een bepaalde leeftijd (de belanghebbende was 15 tot 23 jaar oud in de relevante periode(n)).
legitimate expectationter zake van pensioen voor de relevante jaren gehad, zodat geen sprake is van een ‘possession’ in de zin van art. 1 Eerste Pro Protocol, die haar dus ook niet afgenomen is. Zou men wél een aantasting van eigendom zien, dan bestaat mijns inziens ook daarvoor een rechtvaardiging op basis van objectief verschil in omstandigheden en het ontbreken van een
individual and excessive burden.
2.De feiten
3.Het geding in feitelijke instanties
4.Het geding in cassatie
Wessels-Bergervoet(zie 6.1 hierna) onder art. 1 Eerste Pro Protocol vallen, is belanghebbendes eigendomsgrondrecht zonder voldoende rechtvaardiging aangetast. De CRvB heeft, gezien
Wessels-Bergervoetten onrechte, in het midden gelaten (r.o. 5.4) of uitsluiting van AOW-verzekering een aantasting van ongestoord eigendomsgenot ex art. 1 Eerste Pro Protocol is. In dezelfde r.o. 5.4 miskent de CRvB dat die uitsluiting geen wettelijke grondslag heeft en geen legitiem doel dient nu zij in strijd komt met de wens van de Besluitgever om inwonende gezinsleden te verzekeren die niet of onvoldoende dekking van de desbetreffende internationale organisatie krijgen. Nog steeds in r.o. 5.4 oordeelt de CRvB ten onrechte dat de verre toekomstigheid van belanghebbendes AOW-uitkering een rechtvaardiging voor de schending van art. 1 Eerste Pro Protocol zou zijn omdat er nog genoeg gelegenheid zou zijn om voorzieningen te treffen tegen de nadelen van die korting; een dergelijke redenering is ook in strijd met de aan de AOW ten grondslag liggende solidariteitsgedachte die meebrengt dat ook diegenen die enkel ingezetene zijn en geen premie-inkomen hebben toch verzekerd zijn van een ouderdomspensioen.
Carson(zie 6.3 hierna) gaat het trouwens niet om gelijke gevallen zodat er überhaupt geen discriminatie is en geen rechtvaardiging nodig is. Belanghebbendes klachten keren zich in wezen tegen de feitelijke toetsing door de CRvB en niet tegen schending van het juridische toetsingskader, dus niet tegen een rechtsoordeel. Die toetsing is een waardering van feiten en omstandigheden, en daartegen kan in cassatie niet worden opgekomen.
Jantner(zie 6.2 hierna) is art. 1 Eerste Pro Protocol in casu helemaal niet van toepassing nu op geen enkel moment sprake is geweest van een “possession” van de belanghebbende, dan wel van een “legitimate expectation” dat recht bestond op ongekorte AOW-opbouw. Ook hier betreffen de klachten enkel de afweging van feiten en omstandigheden voor de vraag of een rechtvaardiging bestaat voor de gestelde schending van het eigendomsgrondrecht, voor de beoordeling waarvan in cassatie geen plaats is. De gestelde schending (uitsluiting van verzekering in Nederland) berust overigens wel degelijk op een wettelijke basis, nl. op art. 6(3) AOW jo. 14(3) BUB 1999, en de uitsluiting dient een legitiem doel, nl. eerbiediging van de soevereiniteit van de VN. De mogelijkheid van vrijwillige verzekering sluit uit dat zich een disproportionele last voor zou doen.
Carsonis niet relevant omdat in die zaak andersoortige gevallen werden vergeleken. Het EHRM-arrest
Jantneris evenmin relevant omdat het slechts een procedureel vereiste betrof voor indiening van een verzoek om teruggaaf van eigendom, en niet om rechtvaardiging van een beperking van het materiële eigendomsrecht zoals in casu.
Jantneris wel degelijk relevant, nu de belanghebbende - juist door het gedurende enige jaren niet-opbouwen van AOW-rechten - in zoverre nooit een aanspraak en dus ook geen “possession” heeft gehad, zodat die ook niet afgepakt of beperkt kan zijn.
5.Wet- en regelgeving
6.Jurisprudentie
Wessels-Bergervoet [22] betrof een gehuwde vrouw die haar hele leven ingezetene was van Nederland, die de pensioengerechtigde leeftijd van (toen) 65 had bereikt en die op haar AOW-uitkering werd gekort wegens niet-verzekerde jaren van haar man; een overeenkomstige korting werd niet toegepast bij gehuwde mannen wier echtgenotes niet-verzekerde jaren hadden. U had in 1996 geoordeeld dat voor dit onderscheid naar sekse een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestond. [23] De klaagster was het daar niet mee eens en achtte art. 14 EVRM Pro jo. art. 1 Eerste Pro Protocol geschonden. Het EHRM overwoog dat het onderscheid uitsluitend op geslacht was gebaseerd, dat daarvoor “very strong reasons” vereist zijn en dat Nederland die redenen niet had. Het Hof oordeelde unaniem dat art. 14 EVRM Pro jo. art. 1 Eerste Pro Protocol was geschonden. Het beschouwde het recht op een AOW-uitkering dus als “possession” in de zin van art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM:
curs. PJW):
the making of compulsory contributions to a pension fund may, in certain circumstances, create a property right in a portion of such fund(cf. Müller v. Austria, Comm. Report 1.10.75, D.R. 3, p. 25; No. 7624/76, Dec. 6.7.77, D.R. 19, p. 100; No. 10671/83, Dec. 4.3.85, D.R. 42, p; 229; No. 12264/86, Dec. 13.7.88, D.R. 57, p. 131; and No. 11543/85, Dec. 5.3.90, D.R. 65, p. 51).
that the applicant is entitled to an at least partial AOW pensionand, therefore, accepts that the applicant's right to a pension under the AOW can be regarded as a "possession" within the meaning of Article 7 of Protocol No. 1 and that, consequently, Article 14 of the Convention is applicable."
Jantnerin 6.2 hierna) ter zake van pensioen of uitkering gebaseerd op - met name -
compulsorypremiebetaling.
Jantner [25] betrof een klager die op grond van de Slowaakse landeigenarenwet verzocht om teruggave van voormalig eigendom van zijn vader en oom. De Slowaakse autoriteiten wezen het verzoek af omdat hij niet voldeed aan de wettelijke eis van “permanent residence” in Slowakije. De klager achtte deze eis in strijd met art. 1 Eerste Pro Protocol. Het EHRM verwierp de klacht omdat geen sprake was van een recht of een “legitimate expectation” dat zijn verzoek zou worden toegewezen, zodat geen sprake was van een “possession” in de zin van art. 1 Eerste Pro Protocol:
Van der Mussele v. Belgium, judgment of 23 November 1983, Series A no. 70, § 48). It also cannot be interpreted as imposing any restrictions on the Contracting States’ freedom to choose conditions under which they accept to restore property which had been transferred to them before they ratified the Convention.
Carson [26] in Grote Kamer. Die zaak betrof dertien Britten die waren gaan wonen in landen (Zuid-Afrika, Canada en Australië) waarmee het Verenigd Koninkrijk (VK) geen bilaterale afspraken had over sociale zekerheid. De klagers hadden perioden van hun leven in het VK gewoond en gewerkt waarin zij premies hadden betaald aan het Britse
National Insurance Fund. Het staatspensioen uit dit fonds was voor inwoners waardevast, terwijl voor buiten het VK wonende Britten geen enkele vorm van indexatie gold, tenzij zij woonden in een land waarmee het VK wederzijdse sociale-zekerheidsafspraken had gemaakt waarvan indexatie onderdeel was. De klagers stelden dat zij gediscrimineerd werden op grond van hun status van niet-inwoners. Het EHRM overwoog als volgt over de vraag of art. 14 EVRM Pro geschonden was en over hoe
widede
margin of appreciationvan de Staat is:
Kjeldsen,
Busk Madsen and Pedersen, cited above, § 56). Moreover, in order for an issue to arise under Article 14 there must be a difference in the treatment of persons in analogous, or relevantly similar, situations (
D.H. and Others v. the Czech Republic[GC], no. 57325/00, § 175, ECHR 2007;
Burden v. the United Kingdom[GC], no. 13378/05, § 60, ECHR 2008-). Such a difference of treatment is discriminatory if it has no objective and reasonable justification; in other words, if it does not pursue a legitimate aim or if there is not a reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim sought to be realised. The Contracting State enjoys a margin of appreciation in assessing whether and to what extent differences in otherwise similar situations justify a different treatment (
Burden,cited above, § 60). The scope of this margin will vary according to the circumstances, the subject-matter and the background. A wide margin is usually allowed to the State under the Convention when it comes to general measures of economic or social strategy. Because of their direct knowledge of their society and its needs, the national authorities are in principle better placed than the international judge to appreciate what is in the public interest on social or economic grounds, and the Court will generally respect the legislature's policy choice unless it is “manifestly without reasonable foundation” (
Stec and Others v. the United Kingdom,[GC], nos. 65731/01 and 65900/01, § 52, ECHR 2006).”
Stec and Others, cited above, §§ 50-67;
Burden, cited above, §§ 58-66;
Andrejeva v. Latvia[GC], no. 55707/00, §§ 74-92, ECHR 2009-...). Much is made in the applicants' submissions and in those of the third party intervener of the extreme financial hardship which may result from the policy not to up-rate pensions and of the effect that this might have on the ability of certain persons to join their families abroad. However, the Court is not in a position to make an assessment of the effects, if any, on the many thousands in the same position as the applicants and nor should it try to do so. Any welfare system, to be workable, may have to use broad categorisations to distinguish between different groups in need (see
Runkee and White v. the United Kingdom,nos. 42949/98 and 53134/99, § 39, 10 May 2007). As in the cases cited above, the Court's role is to determine the question of principle, namely whether the legislation as such unlawfully discriminates between persons who are in an analogous situation.”
Stec and Others v. the United Kingdom(dec.) [GC], nos. 65731/01 and 65900/01, § 39, ECHR 2005-X;
Andrejeva, cited above, § 74). 64. The Chamber found that although there was no obligation on a State under Article 1 of Protocol No. 1 to create a welfare or pension scheme, if a State did decide to enact legislation providing for the payment as of right of a welfare benefit or pension - whether conditional or not on the prior payment of contributions - that legislation had to be regarded as generating a proprietary interest falling within the ambit of Article 1 of Protocol No. 1 for persons satisfying its requirements (
Stec and Others(dec.), cited above, § 54). In the present case, therefore, the facts fell within the scope of Article 1 of Protocol No. 1.”
Bah [29] volgt dat het EHRM voor de reikwijdte van de
margin of appreciationvan de Staten onderscheid maakt tussen in hoofdzaak twee soorten criteria op basis waarvan personen verschillend worden behandeld. Onveranderlijke persoonlijke kenmerken als sekse en ras zijn ‘verdachte’ onderscheidingscriteria: daarvoor moet een Staat “very weighty reasons” [30] kunnen aanvoeren. Kenmerken ter zake waarvan personen een keus hebben, zoals hun verblijfstitel, zijn ‘zachtere’ criteria, die acceptabeler zijn als basis voor onderscheid:
Stec and Others, cited above, § 52).”
European Space Agency(ESA). De SVB had X op 7 november 2007 een AOW-pensioen en toeslag toegekend, maar had op de toeslag 24% gekort onder meer omdat X’s echtgenote voor de genoemde periode niet als verzekerd voor de AOW werd aangemerkt. De Rechtbank Den Haag meende met X dat de SVB zijn echtgenote ten onrechte als niet-verzekerd had aangemerkt, nu niet was voldaan aan de voorwaarden voor uitsluiting op basis van het toen geldende BUB. De CRvB stelde echter in hoger beroep de SVB in het gelijk:
7.Boordeling van de klachten over het oordeel over de verzekeringsplicht
gedekt(‘covered’) zijn
als gevolgvan hun vrijstelling van premieplicht. De verzekering is dus gekoppeld aan de premieplicht: uitsluiting van premieplicht heeft uitsluiting van verzekering tot gevolg. In het Nederlandse stelsel is het weliswaar de van rechtswege voor inwoners ontstane verzekering die de premieplicht oproept (ex art. 6(1) Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv)) en niet andersom, zodat de belanghebbende kan worden toegegeven dat de tekst van art. XXVII(1) ICTY-Zetelovereenkomst niet uitmunt in helderheid, maar dat neemt niet weg dat volgens de tweede volzin van art. XXVII(1) ICTY-Zetelovereenkomst geen dekking bestaat bij premievrijstelling, zoals in casu. Mijns inziens sluit deze bepaling dus zowel verzekering als premieplicht uit. Dat strookt ook met het Nederlandse sociale-verzekeringsysteem dat immers - zoals boven (5.5) bleek - premieplicht en verzekeringsplicht onlosmakelijk met elkaar verbindt. Nu het tweede lid van art. XXVII van de ICTY-Zetelovereenkomst het eerste lid van overeenkomstige toepassing verklaart op inwonende gezinsleden van de VN-werknemer, geldt het bovenstaande ook voor de belanghebbende.
nietuitsloot, en welke wijziging juist diende om Nederlandse verplichte verzekering - als overbodig - te
voorkomen. In de tweede plaats kan die toelichting bij een deelwijziging niet afdoen aan de duidelijke tekst van art. 14(3) BUB 1999 (zie 5.6 hierboven) en de eveneens duidelijke toelichting daarop (zie eveneens 5.6) die uitdrukkelijk bepalen/toelichten dat niet verzekerd zijn de gezinsleden van internationale ambtenaren van wie de desbetreffende zetelovereenkomst bepaalt dat zij niet verzekerd zijn. De mogelijk verwarrende toelichting bij de wijziging van het BUB 1999 kan voorts niet rechtstreeks rechtens relevant
contra legemvertrouwen wekken, nu zij geen beleidsuitlating is, maar een toelichting van de regelgever aan het parlement. [33] Met de SVB meen ik ten slotte dat als Nederland zou hebben gewenst dat een ICTY-werknemer en diens gezinsleden in Nederland toch verzekerd zijn bij onvoldoende dekking door de regelingen van de VN, zulks in de ICTY-Zetelovereenkomst zou zijn bepaald, nu Nederland zulks wel duidelijk tot uitdrukking heeft gebracht in onder meer de in 1999 herziene ESA-Zetelovereenkomst (zie 6.6). [34] De ICTY-Zetelovereenkomst laat de verzekeringsplicht op geen enkele wijze afhangen van een vergelijking tussen de dekking van de VN-regeling en die van de Nederlandse sociale-zekerheidswetgeving. Dat uitsluiting van Nederlandse verzekering als gevolg van exclusiviteit van de VN-regelingen gewenst werd, blijkt mijns inziens ook uit de brief van de regering aan de Tweede Kamer over de herbezinning op het BUB 1989 (zie 5.7).
8.Beoordeling van de klachten over schending van het discriminatieverbod
Carson-arrest zou die vraag ontkennend kunnen worden beantwoord. Anders dan op andere inwoners van Nederland, is op de belanghebbende en haar moeder immers art. XXVII van de ICTY-Zetelovereenkomst van toepassing, dat, anders dan andere inwoners, de belanghebbende en haar moeder vrijstelt van premieplicht en in rechtstreeks verband daarmee uitsluit van (premiegefinancierde) AOW-uitkeringen. Tussen hen en andere inwoners bestaat dus een objectief verschil, en het zou Nederland niet aanmoedigen om zetelovereenkomsten met internationale organisaties te sluiten als tegenover uitkeringsrechten geen premieplichten zouden staan, zoals in de nationale wetgeving die op ‘gewone’ inwoners van toepassing is. De belanghebbende wordt weliswaar anders behandeld dan andere inwoners op grond van de status van haar moeder, maar die status is ook objectief anders dan die van een moeder die werkt bij een Nederlandse werkgever en bovendien zijn belanghebbendes eigen statussen van (i) inwonend, (ii) niet-verdienend, (iii) niet-uitkeringsgerechtigd, (iv) vrijgesteld van premie en (v) niet vrijwillig verzekerd mede van belang. Ik roep daarbij in herinnering dat, zoals boven bleek, het EHRM de Staten bij de toepassing van hun regelingen van sociaal-economische aard een
wide margin of appreciationlaat bij de vraag of categorieën van gevallen voldoende vergelijkbaar zijn als het vergelijkingscriterium onverdacht en vermijdbaar is, zoals in casu de keuze van belanghebbendes moeder om voor de VN te werken en belanghebbendes keuze om geen betaalde arbeid te verrichten en ook na haar volwassenheid in te wonen bij haar moeder.
wide margin of appreciationtoekomt bij de rechtvaardiging van onderscheidingen tussen categorieën van gevallen in zijn sociale-zekerheidswetgeving op basis van onverdachte criteria. Het onderscheidende criterium is de toepasselijkheid van de ICTY-zetelovereenkomst en de daarin vervatte vrijstelling van premie- en verzekeringsplicht, die opgeroepen wordt door de VN-werknemersstatus van belanghebbendes moeder. Die status is een ‘other status’ van belanghebbendes moeder in de zin van art. 2 IVRK Pro en ook van de belanghebbende, voor haar ook in de zin van art. 14 EVRM Pro, 26 IVBPR en het Twaalfde Protocol EVRM. Voor de belanghebbende zelf komen bij die status als kind van haar moeder voorts de volgende criteria voor uitsluiting uit de AOW-verzekering: (i) inwonend; (ii) geen betaalde arbeid verrichtend, (iii) niet in het genot van een uitkering en (iv) niet vrijwillig verzekerd. Deze onderscheidingscriteria zijn mijns inziens ‘onverdacht’ in de zin van de boven (6.5) geciteerde EHRM-jurisprudentie, zodat geen
very weightyrechtvaardiging is vereist. Dat de belanghebbende zelf mogelijk weinig invloed heeft op haar moeders keuze van werkgever en daarmee van arbeidsvoorwaarden doet daar mijns inziens niet aan af. Haar moeders arbeidsvoorwaarden- en werkgeverskeuze is immers maar één van de criteria; de andere liggen wél binnen belanghebbendes invloedssfeer. Ik merk op dat de belanghebbende vanaf 3 juli 2007 (zij was toen 23) op zichzelf is gaan wonen en dus niet meer onder art. XXVII van de ICTY-Zetelovereenkomst valt.
Short/Staat [38] van uw eerste kamer, dat leert dat als bepalingen van twee volkenrechtelijke verdragen niet met elkaar verenigd kunnen worden, per geval op grond van de omstandigheden moet worden beoordeeld welke bepaling buiten toepassing blijft. De belanghebbende heeft zich overigens in cassatie niet opnieuw beroepen op
Short/Staat.
9.Beoordeling van de klachten over schending van art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM
Wessels-Bergervoeten
Carson(zie 6.1 en 6.3) volgt niet dat de belanghebbende een ‘possession’ in de zin van art. 1 Eerste Pro Protocol had waarop een inbreuk is gemaakt; integendeel: de belanghebbenden in de zaak
Carsonhadden premies betaald en hadden onmiskenbaar een (ingegaan) uitkeringsrecht, waarvan zij meenden dat het ten onrechte niet waardevast was gemaakt. Zij voldeden dus aan alle nationale wettelijke voorwaarden voor uitkering en hadden daarmee een niet-betwiste juridische aanspraak. Betwist was slechts de waardeberekening. Ook uit de zaak Wessels-Bergervoet blijkt dat minstens ofwel premies betaald moeten zijn of op andere grond een ‘legitimate expectation’ bestaat, ofwel aan de nationale wettelijke vereisten voor een uitkeringsrecht voldaan moet zijn; u zie de door mij gecursiveerde passages in de ontvankelijkheidsbeslissing in die zaak in 6.1 hierboven. In belanghebbendes geval lijkt mij van het één noch het ander sprake, nu zij geen ingegaan recht had, noch voldeed aan de nationaalrechtelijke voorwaarden voor aanspraken, noch een ‘legitimate expectation’ ter zake van een uitkering had op basis van premiebetaling, die in haar geval immers niet heeft plaatsgevonden. De belanghebbende wordt in de Zetelovereenkomst uitgesloten van premiebetaling en verzekering, en voldoet daardoor niet aan de daarop aansluitende nationale wettelijke voorwaarden voor AOW-opbouw of -aanspraak. De SVB betoogt mijns inziens voorts terecht dat belanghebbendes uitsluiting van de verzekering wel degelijk op wettelijke grondslag berust, nl. op art. 6(3) AOW juncto art. 14(3) BUB 1999.
legitimate aimdient en proportioneel is tot dat
aim. Zie ik het goed, dan wordt in cassatie niet bestreden dat met de uitsluiting van verzekering van VN-personeel en hun inwonende gezinsleden een
legitimate aimwordt nagestreefd. Ook als dat anders zou zijn, zijn mijns inziens de respectering van de exclusiviteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van de VN(-regelingen), de reputatie van Nederland als gastland en het op grond van solidariteit één op één gekoppeld wensen te houden van (vrijstelling van) premieplicht en (uitsluiting van) verzekeringsplicht voldoende
legitimate aims. Dan resteert de vraag naar de proportionaliteit van de hier veronderstelde inbreuk. Die proportionaliteit (de “fair balance” tussen algemeen belang en individueel belang) is in beginsel slechts zoek als zich een “individual and excessive burden” voor de burger voordoet. [39] Buiten twijfel lijkt mij dat de uitsluiting van AOW-opbouw de belanghebbende individueel raakt. Dan resteert de vraag of die niet-opbouw een buitensporige last is in de zin van de rechtspraak van het EHRM over aantasting van het eigendomsgrondrecht.
Chassagnoubetrof kleine landeigenaren die wettelijk verplicht lid waren van de plaatselijke jachtvereniging en bovendien verplicht waren om hun jachtrechten - die hen als eigenaren toekwamen - over te dragen aan die vereniging. Zij achtten die gedwongen overdracht in strijd met hun geloofsovertuiging (volgens welke de jacht verboden zou moeten zijn), en ook met hun eigendomsgrondrecht. Het EHRM oordeelde als volgt: [40]
Kjartan Ásmundssonvoor het EHRM betrof een volledig arbeidsongeschikte zeeman die een ingegaan invaliditeitspensioen genoot dat echter na een wetswijziging en een overgangsperiode van vijf jaar tot nihil gereduceerd zou worden, hoewel het meer dan een derde deel uitmaakte van zijn bruto maandinkomen. Het EHRM achtte ook in dit geval de
fair balanceverstoord, maar overwoog ook dat hij anders had geoordeeld als slechts een “reasonable and commensurate reduction” van het pensioen zou hebben plaatsgevonden: [41]
Müllerand
Skorkiewicz, both cited above, and,
mutatis mutandis,
James and Others,cited above, p. 36, § 54, and
Lithgow and Others v. the United Kingdom, judgment of 8 July 1986, Series A no. 102, pp. 44-45, § 121). Accordingly there has been a violation of Article 1 of Protocol No. 1 in the applicant’s case.”
excessiveaantasting in strijd met de genoemde
fair balance. Ten eerste komt de potentiële en ver toekomstige uitkeringskorting - die volgens art. 13 AOW Pro voor acht jaar maximaal 16% zou belopen - mij niet buitensporig voor, omdat die korting gereduceerd wordt tot hoogstens 12%: de korting ad 16% is berekend op basis van een AOW-opbouw-aanvangsleeftijd van 15 jaar, maar die aanvangsleeftijd wordt sinds 1 januari 2013 [42] door art. 7a AOW jaarlijks verhoogd. In het jaar waarin belanghebbendes AOW-pensioen zou moeten ingaan, zal de aanvangsleeftijd minimaal 17 jaar zijn, waardoor op dat moment de korting nog ten hoogste 12% zal bedragen. De CRvB heeft mijns inziens voorts terecht overwogen (r.o. 5.4) dat de omvang van belanghebbendes kortingslast ten tijde van het besluit van 6 november 2006 ongewis is omdat die pas zal blijken bij ingaan van de AOW-uitkering. Bij de huidige stand van wetgeving (art. 7a AOW) zal dat tijdstip niet vóór 13 maart 2051 liggen. Ten derde wordt het inkomen van een AOW-pensionado ingevolge art. 19(2) en 22 Wet werk en bijstand (WWB) aangevuld tot de bijstandsnorm. Art. 22 WWB Pro is uitdrukkelijk bedoeld voor AOW-ers op wier opbouw is gekort, en er is een verband tussen de bijstandsnorm voor gepensioneerden en de AOW-uitkering. [43] De bijstandsnorm komt mij niet volstrekt ontoereikend voor. Ik meen daarom dat geen sprake is van een individuele en buitensporige last in de zin van de EHRM-rechtspraak.
individualnadeel alsnog
excessivezou worden.
excessive burden. Ook dat is echter een vooral feitelijke vraag, die u, indien u hem, anders dan ik, relevant oordeelt, na vernietiging en verwijzing wellicht zou moeten laten beantwoorden door de feitenrechter.