Conclusie
15. Proces-verbaal aanhouding verdachte.
16. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, op ambtsbelofte opgemaakt op 15 juni 2009, door verbalisant [verbalisant 2], voor zover inhoudende de verklaring van getuige [slachtoffer 3], p. 291-293.
17. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal dossier afhandeling inbeslagneming, p. 205.”
eerste middelklaagt dat het Hof het door de verdediging gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel ten onrechte heeft verworpen.
1. Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg zowel de beide verdachten die vandaag terecht staan als ook [medeverdachte 2] vervolgd. Alle drie de verdachten zijn in eerste aanleg door de meervoudige kamer van de rechtbank Arnhem vrijgesproken. Enkel in de zaken van cliënt en [medeverdachte 1] is door het openbaar ministerie hoger beroep aangetekend.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
tweede middeldat klaagt dat het Hof in strijd met het wettelijk bewijsstelstel heeft gehandeld door zijn arrest aan te vullen met bewijsmiddelen, faalt en kan gezien HR 6 november 2012, LJN BX0863, NJ 2013/144 (rov. 4.2 e.v.) worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
derde middelklaagt over de motivering van de overweging van het Hof in alinea 5: “Voorts stelt het hof (…) het ongeval”. De feitelijke vaststellingen van het Hof met betrekking tot het aanstralen door zendmasten van de telefoons zouden niet steunen op de inhoud van wettige bewijsmiddelen.
Ik verbalisant, zag dat in het adressenbestand van de telefoon van [medeverdachte 1] de naam “[verdachte]’’ voorkwam met het telefoonnummer [003].
- dat er op 14-06-2009 te 22.58 uur een gesprek was ontvangen met het telefoonnummer +[001]. Dit is het telefoonnummer in gebruik bij verdachte [verdachte].
- dat in het telefoonboek het telefoonnummer [003] onder de naam “[verdachte]” voorkwam. Dit betreft het telefoonnummer in gebruik bij verdachte [verdachte].
vierde middelklaagt dat de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd is nu de vaststelling van het Hof dat getuige [betrokkene 1] ter terechtzitting medeverdachte [medeverdachte 1] heeft herkend als degene die hem en [slachtoffer 3] had aangesproken onbegrijpelijk is en/of dat bewijsmiddel 11 een ontoelaatbare denaturering behelst.
vijfde middelkeert zich tegen de bewijsvoering van het Hof. Het middel valt uiteen in drie klachten. Ten eerste wordt geklaagd dat de overweging van het Hof in de als elfde alinea weergegeven passage - “Het Hof constateert (…) zelf waargenomen.” - niet steunt op de gebezigde bewijsmiddelen. Ten tweede wordt geklaagd dat het Hof zijn in diezelfde passage weergegeven eigen waarneming ter terechtzitting over de lengte van [medeverdachte 1] niet ter zitting ter sprake heeft gebracht en dat derhalve het Hof er rekening mee had moeten houden dat het gebruik van die waarneming voor het bewijs verzoeker kon verrassen. Ten derde wordt geklaagd over een tegenstrijdigheid in de Promisoverweging van het Hof en de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de aanvulling.
Niettemin is de rechter gehouden dat wel te doen, indien de procespartijen door het gebruik van die waarneming voor het bewijs zouden worden verrast omdat zij daarmee geen rekening behoefden te houden. Of daarvan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals het procesverloop, de aard van de waarneming en het verband van die waarneming met het voorhanden bewijsmateriaal.”
zesde middelklaagt dat het in de aanvulling als vijfde opgenomen bewijsmiddel in strijd is met de bewezenverklaring.
zevende middelbehelst de klacht dat het Hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip ‘medeplegen’. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het Hof ten aanzien van verzoeker heeft vastgesteld dat hij ten tijde van de overval in de geparkeerd staande auto aan het begin van de Dobbelmanweg is blijven wachten op zijn beide mededaders en dat hij vervolgens, nadat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] bij hem na de overval in de auto waren gestapt, met de auto is weggereden en dat dit één en ander niet zonder meer voldoende is om te kunnen spreken van medeplegen.
achtste middelklaagt dat het Hof onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat het onder [medeverdachte 1] inbeslaggenomen pistool niet de bij de overval gebruikte revolver kon zijn.
negende middelklaagt over schending van de redelijke termijn.
bij de Hoge Raad der Nederlanden