ECLI:NL:PHR:2013:73

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 mei 2013
Publicatiedatum
18 juli 2013
Zaaknummer
11/05039
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 80a ROArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling cassatieberoep wegens afpersing met geweld en bedreiging door meerdere personen

Het gerechtshof Arnhem heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden wegens afpersing gepleegd door twee of meer verenigde personen. Verdachte zou samen met anderen medewerkers van een firma hebben gedwongen tot afgifte van een aanzienlijk geldbedrag door middel van geweld en bedreiging met een vuurwapenachtig voorwerp, fysieke mishandeling en het vastbinden van slachtoffers.

Tegen dit arrest is cassatieberoep ingesteld met twee middelen. Het eerste middel klaagt over een vermeende innerlijke tegenstrijdigheid en onvoldoende motivering in de bewezenverklaring, met name over de toedracht van een dreigende uitlating door verdachte. De Hoge Raad oordeelt dat het hof deze uitlating toekent aan verdachte als degene die de bedreiging uitte, en dat dit niet in strijd is met het bewijs of de bewijsoverwegingen. De klacht faalt omdat zij berust op een verkeerde lezing en onvoldoende feitelijke grondslag.

Het tweede middel betreft een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase door late indiening van stukken. De Hoge Raad stelt dat deze overschrijding niet tot cassatie kan leiden, mede omdat de ingediende middelen niet in strijd zijn met art. 80a RO. Beide middelen falen en het cassatieberoep wordt verworpen. Er zijn geen gronden voor ambtshalve vernietiging van het arrest.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest bevestigd met een gevangenisstraf van achttien maanden wegens afpersing door meerdere personen.

Conclusie

Nr. 11/05039
Zitting: 14 mei 2013
Mr. Knigge
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 26 oktober 2011 verdachte wegens “afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden. Voorts heeft het Hof beslist tot verbeurdverklaring van een inbeslaggenomen voorwerp en tot toewijzing van de vorderingen van twee benadeelde partijen, een en ander als in het arrest vermeld.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4.Het eerste middel

4.1.
Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het Hof een innerlijke tegenstrijdigheid bevat, althans dat de bewezenverklaring door het Hof niet toereikend is gemotiveerd.
4.2.
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat
“hij op 26 februari 2010 te Lichtenvoorde, in de gemeente Oost Gelre, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en andere medewerkers van de firma [A], genaamd [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een aanzienlijk geldbedrag (euro 6835,--), toebehorende aan de firma [A], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of zijn mededaders:
- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] heeft gericht gehouden en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] in een auto en vervolgens in een kantoor heeft laten plaats nemen, en
- [slachtoffer 2] met kracht tegen het bovenbeen heeft geschopt en vervolgens stevig heeft vast gepakt en tegen de grond heeft gewerkt, en
- tegen [slachtoffer 2] heeft gezegd dat hij, verdachte, hem door de kop zou schieten, althans woorden van dreigende aard of strekking, en
- de armen/benen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] met tape heeft vast gebonden en/of laten vast binden.”
4.3.
De klacht van het middel betreft de in de bewezenverklaring na het derde gedachtestreepje opgenomen zinsnede “tegen [slachtoffer 2] heeft gezegd dat hij, verdachte, hem door de kop zou schieten, althans woorden van dreigende aard of strekking”. Dat het de verdachte is geweest die deze dreigende woorden heeft geuit, blijkt niet uit de gebezigde bewijsmiddelen en is bovendien in strijd met de uitdrukkelijke vaststelling in de bewijsoverwegingen in het bestreden arrest dat de verdachte niet lijfelijk aanwezig is geweest bij de feitelijke uitvoering van het tenlastegelegde feit.
4.4.
Het middel berust op een lezing van de tenlastelegging en de bewezenverklaring die kennelijk niet die van het Hof is geweest. De tenlastelegging in de onderhavige zaak bevat een viertal feitelijke omschrijvingen van het geweld en de bedreigingen met geweld waarmee winkelmedewerkers van [A] werden gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag en vermeldt voor de dubbele punt dat de handelingen waar het om gaat zijn verricht door “verdachte en/of zijn mededaders”. Omdat geen van de onder het eerste, tweede en vierde opgenomen feitelijke omschrijvingen van geweld en bedreiging met geweld een nader geconcretiseerde aanduiding bevatten van degene die de omschreven handelingen heeft verricht, is het weinig aannemelijk dat de opsteller van de tenlastelegging een dergelijke concretisering bij de onder het derde gedachtestreepje opgenomen feitelijke omschrijving wel tot uitdrukking heeft willen brengen. Het Hof heeft kennelijk, en niet onbegrijpelijk, aan het invlechten van het woord “verdachte” onder het derde gedachtestreepje een beperkte functie toegekend in die zin, dat daarmee slechts is bedoeld tot uitdrukking te brengen dat met de daaraan vooraf genoemde “hij” de verdachte wordt bedoeld die de bedreiging uitsprak, en niet één van zijn mededaders. In die lezing stelt de invoeging van het woord “verdachte” dus enkel buiten twijfel dat de spreker de bedreiging zelf tot uitvoer zou brengen.
4.5.
Met die lezing zijn de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van het Hof niet in strijd. Integendeel, zij bevestigen juist dat het Hof van deze lezing is uitgegaan. Daaraan doet niet af dat in de Aanvulling bewijsmiddelen onder bewijsmiddel 3 (de verklaring van getuige [getuige]) als extra opmerking van het Hof het volgende staat vermeld:
“In de bewezenverklaring is per abuis opgenomen dat de verdachte tegen [slachtoffer 2] heeft gezegd dat hij hem door de kop zou schieten, terwijl dit, gelet op het geslacht van [slachtoffer 2], moet zijn dat de verdachte heeft gezegd dat hij haar door de kop zou schieten.”
Dit niet alleen omdat de Hoge Raad op dergelijke verbeteringen van de bewezenverklaring geen acht pleegt te slaan aangezien de aanvulling daarvoor niet is bedoeld, maar ook omdat het Hof met “verdachte” ook hier de desbetreffende verdachte zal hebben bedoeld, dat wil zeggen de verdachte die de bedreiging uitte. Erkend kan worden dat de woordkeus van de verdachte hier verwarring kan scheppen, maar dat het Hof, dat de puntjes op de i aan het zetten was, geen behoefte gevoelde zich op dit punt duidelijker uit te drukken, kan ook gezien worden als een uiting van de vanzelfsprekendheid die de gekozen uitleg van de bewezenverklaring voor het Hof had.
4.6.
Het middel faalt derhalve reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag. Ik merk daarbij op dat het middel in wezen klaagt over een onduidelijkheid in de tenlastelegging, waarvoor, nu de verdediging daarover in feitelijke aanleg niet is gevallen, in cassatie geen plaats is. De behandeling van de zaak is steeds geconcentreerd geweest op de vraag of uit het door de verdachte verrichten van handelingen als het opwerpen van het plan om [A] te overvallen, het beschikbaar stellen van een pistool en het ontvangen van een gedeelte van het buitgemaakte geldbedrag kan worden afgeleid dat de verdachte zodanig nauw en bewust met anderen heeft samengewerkt dat van medeplegen kan worden gesproken. De verschillende procesdeelnemers lijken het met elkaar eens te zijn geweest dat het bewijs van medeplegen daarvan afhing. De vraag of het de verdachte kan zijn geweest die de bedreiging uitte, speelde in de discussie geen enkele rol.
4.7.
Een ander brengt mij tot de slotsom dat het middel niet alleen klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden (de klacht had hooguit kunnen leiden tot de verbetering van een kennelijke misslag), maar ook dat de verdachte daarbij onvoldoende belang heeft om een behandeling in cassatie te rechtvaardigen. Dat is van belang voor het lot van het tweede middel.
4.8.
Het middel faalt.

5.Het tweede middel

5.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken door het Hof te laat zijn ingezonden.
5.2.
Het cassatieberoep is ingesteld op 4 november 2011. De stukken van het geding zijn eerst op 20 juli 2012 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dit betekent dat de door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn met twee weken is overschreden.
5.3.
Dit dient in beginsel, nu de Hoge Raad de overschrijding van de redelijke termijn niet meer kan compenseren door de zaak binnen zestien maanden af te doen, te leiden tot strafvermindering. De schriftuur in de onderhavige zaak is echter op 17 oktober 2012 ontvangen. Uit de arresten die de Hoge Raad op 11 sept. 2012 met betrekking tot de toepassing van art. 80a RO wees (o.m. LJN BX0146) leid ik af, nu daarin werd overwogen dat het gestelde ook van betekenis is voor de toepassing van art. 81 RO Pro, dat een klacht over de schending van de inzendingstermijn niet tot cassatie kan leiden als voor het overige ook slechts middelen zijn ingediend die aan de toepassing van art. 80a RO niet in de weg zouden staan.
5.4.
Ik merk daarbij op dat de verdachte naar mijn mening geen te honoreren verwachtingen kan ontlenen aan het feit dat het cassatieberoep destijds niet “aan de poort” niet-ontvankelijk is verklaard. Dat daartoe niet is overgegaan, zal te maken hebben met het feit dat er samenhang was met een andere strafzaak (zie noot 1).
6. Het middel kan dus niet tot cassatie leiden.
7. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering.
8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
9. Deze conclusie strekt tot ver tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG