Conclusie
Ontvankelijkheid van het beroep
Parket bij de Hoge Raad
Het Gerechtshof te Arnhem heeft verdachte veroordeeld tot twee weken hechtenis wegens overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Tegen dit vonnis is cassatieberoep ingesteld. Namens verdachte is per fax een schriftuur ingediend, maar het originele exemplaar is niet ontvangen door de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelt dat het ontbreken van het originele exemplaar van de schriftuur een schending is van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, waardoor verdachte niet in cassatie kan worden ontvangen. Hoewel de betekening van de aanzeggingsbrief aanvankelijk niet op het juiste adres plaatsvond, is dit verzuim gesanctioneerd omdat de brief uiteindelijk de verdachte heeft bereikt en er geen klachten zijn over de betekening.
Daarnaast is het ingediende cassatiemiddel te algemeen en vaag geformuleerd, waardoor het niet voldoet aan de wettelijke eisen voor een cassatiemiddel. De klacht vermeldt niet op welk punt het hof het recht zou hebben geschonden of een vormverzuim heeft begaan, en het dossier bevat geen aanwijzingen voor een dergelijke schending.
Daarom verklaart de Hoge Raad verdachte niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens ontbreken van het originele cassatieschrift en het ontbreken van een geldig cassatiemiddel.