De Hoge Raad heeft op 4 juni 2013 het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage vernietigd dat verdachte veroordeelde voor poging tot doodslag en poging tot moord. Het hof had vastgesteld dat verdachte bij het tweede steekincident met voorbedachte raad handelde, maar had onvoldoende gemotiveerd waarom het verweer dat verdachte onder invloed van alcohol verkeerde, niet weerlegd werd. De Hoge Raad benadrukt dat voorbedachte raad vereist dat verdachte de gelegenheid heeft gehad om na te denken over zijn daad en de gevolgen daarvan.
De verdediging had aangevoerd dat verdachte dronken was en dat er geen onderzoek naar het alcoholpromillage was gedaan, wat relevant zou zijn voor het bepalen van de gemoedsbeweging. Het hof ging hier niet op in, maar de Hoge Raad oordeelt dat het ontbreken van een verband tussen alcoholgebruik en voorbedachte raad het hof niet verplichtte dit nader te motiveren. Wel concludeert de Hoge Raad dat het hof de bewezenverklaring voor de voorbedachte raad voldoende heeft gemotiveerd.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de strafmotivering van het hof ontoereikend is, omdat het hof ten onrechte een eerdere beslissing uit 2002 als veroordeling aanmerkt terwijl deze ontslag van rechtsvervolging betrof. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor een nieuwe strafoplegging, waarbij de redelijke termijnoverschrijding in acht kan worden genomen.
De Hoge Raad verwerpt het overige cassatieberoep en wijst erop dat het alcoholgebruik van verdachte geen contra-indicatie vormde voor het oordeel van het hof dat sprake was van voorbedachte raad. De uitspraak bevestigt de strenge eisen aan de motivering van voorbedachte raad en de zorgvuldigheid bij strafmotivering.