ECLI:NL:PHR:2013:785

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 september 2013
Publicatiedatum
16 september 2013
Zaaknummer
13/03067
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 lid 3 BWArt. 80a lid 1 ROArt. 79 lid 1 onder b ROArt. 419 RvArt. 9a.8 Reglement rekestzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling vervangende toestemming erkenning kind na bezwaar moeder

Partijen hadden een affectieve relatie waaruit een dochter is geboren. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit. De man verzocht op grond van art. 1:204 lid 3 BW Pro vervangende toestemming voor erkenning van de dochter, waartegen de moeder bezwaar maakte. Na onderzoek en aanvullend onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming wees de rechtbank Breda het verzoek toe. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bekrachtigde deze beslissing in hoger beroep.

De moeder stelde in cassatie meerdere middelen aan de orde, die alle betrekking hadden op de belangenafweging en motivering van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet voldoen aan de eisen voor cassatie, omdat zij feitelijke waarderingen betrof die niet in cassatie kunnen worden getoetst en omdat de motiveringsklachten onvoldoende concreet waren. De belangenafweging door het hof was zorgvuldig en betrok de belangen van moeder, vader en kind.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk op grond van art. 80a lid 1 RO, waarmee het bestreden arrest in stand bleef. Tevens werd opgemerkt dat zowel de moeder als de man een naamswijziging hadden ondergaan.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard en het besluit tot vervangende toestemming erkenning blijft in stand.

Conclusie

13/03067
Mr. F.F. Langemeijer
6 september 2013 (art. 80a RO)
Conclusie inzake:
[de moeder]
tegen
[de man]
1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad [1] . Uit de moeder is op [geboortedatum] 2008 een dochter geboren, genaamd [de dochter]. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit. Gerekestreerde in cassatie (hierna: de man) heeft op de voet van art. 1:204 lid 3 BW Pro vervangende toestemming verzocht om de dochter als zijn kind te erkennen. De moeder heeft daartegen bezwaar gemaakt; de voor het kind benoemde bijzondere curator niet. Na een onderzoek en vervolgens aanvullend onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming te hebben gelast, heeft de rechtbank te Breda bij beschikking van 11 juli 2012 het verzoek toegewezen.
2. Op het hoger beroep van de moeder heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 21 maart 2013 de beslissing van de rechtbank bekrachtigd. De moeder heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld. De man heeft gebruik gemaakt van de optie in art. 9a.8 Reglement rekestzaken.
3.
Middel 1bestrijdt het oordeel dat de moeder onvoldoende heeft onderbouwd dat haar belang bij een ongestoorde verhouding met de dochter door de verzochte erkenning zal worden geschaad (rov. 3.11.4). Het middel bevat geen rechtsklacht (art. 79 lid 1 onder Pro b RO). Daar waar het middel nader onderzoek naar de feiten bepleit en uitmondt in de klacht dat het hof in alle redelijkheid niet tot dit oordeel heeft kunnen komen, miskent de moeder dat in cassatie geen nieuw onderzoek naar de feiten wordt verricht (art. 419 Rv Pro). Ook de waardering van de feiten kan in cassatie niet met succes ter discussie worden gesteld. Voor zover het middel is bedoeld als motiveringsklacht [2] , voldoet de klacht niet aan de daaraan te stellen eisen [3] .
4.
Middel 2betreft het oordeel dat de moeder onvoldoende haar stelling heeft onderbouwd dat de door de man beoogde erkenning de belangen van de dochter zou schaden (rov. 3.11.5). Ook deze klacht voldoet niet aan de eisen waaraan een cassatiemiddel volgens de wet moet voldoen. Zo blijft de klacht dat “alle positieve en negatieve gevolgen van een dergelijke beslissing (…) moeten worden bekeken” en dat dit niet deugdelijk is gebeurd (blz. 12 cassatierekest) zonder betekenis als cassatiemiddel indien daarbij niet concreet en met opgaaf van redenen wordt aangegeven welke rechtsregel door het hof zou zijn geschonden, respectievelijk: indien daarbij niet concreet wordt aangegeven waarom de redengeving de bestreden beslissing niet zou kunnen dragen of anderszins voor de lezer onbegrijpelijk zou zijn. In het middel is niet nader aangeduid op welke grieven van de moeder het hof niet zou zijn ingegaan (blz. 11 cassatierekest).
5.
Middel 3is gericht tegen de slotafweging in rov. 3.11.6. De klacht houdt in dat het hof de belangen van de betrokkenen niet, althans op onjuiste wijze, tegen elkaar heeft afgewogen. Deze klacht faalt. De afweging door het hof van de belangen van de verwekker bij erkenning tegenover de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind en de belangen van het kind bij niet-erkenning is in hoge mate verweven met waarderingen van feitelijke aard, die zijn voorbehouden aan de feitenrechter. Het resultaat van die belangenafweging is in cassatie slechts in beperkte mate te toetsen. Het hof is van een juiste rechtsopvatting uitgegaan. Immers, het hof heeft de belangen van de moeder, de dochter én de vader in zijn oordeel in rov. 3.11.6. betrokken. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk, gelet op rov. 3.11.3 - 3.11.5 waarin een deugdelijke motivering is te vinden. Het hof vermeldt in rov. 3.11.5 bovendien dat zowel de Raad voor de Kinderbescherming als de bijzondere curator hebben aangevoerd dat erkenning door de vader in het belang van de dochter is.
6. De
conclusiestrekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de in art. 80a lid 1 RO vermelde grond.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a - g.

Voetnoten

1.Zowel bij de man als bij de moeder is sprake geweest van een wijziging van de achternaam.
2.Met name op blz. 7 van het cassatierekest bovenaan.
3.Zie voor deze eisen: HR 24 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0828.