Conclusie
Middel 1bestrijdt het oordeel dat de moeder onvoldoende heeft onderbouwd dat haar belang bij een ongestoorde verhouding met de dochter door de verzochte erkenning zal worden geschaad (rov. 3.11.4). Het middel bevat geen rechtsklacht (art. 79 lid 1 onder Pro b RO). Daar waar het middel nader onderzoek naar de feiten bepleit en uitmondt in de klacht dat het hof in alle redelijkheid niet tot dit oordeel heeft kunnen komen, miskent de moeder dat in cassatie geen nieuw onderzoek naar de feiten wordt verricht (art. 419 Rv Pro). Ook de waardering van de feiten kan in cassatie niet met succes ter discussie worden gesteld. Voor zover het middel is bedoeld als motiveringsklacht [2] , voldoet de klacht niet aan de daaraan te stellen eisen [3] .
Middel 2betreft het oordeel dat de moeder onvoldoende haar stelling heeft onderbouwd dat de door de man beoogde erkenning de belangen van de dochter zou schaden (rov. 3.11.5). Ook deze klacht voldoet niet aan de eisen waaraan een cassatiemiddel volgens de wet moet voldoen. Zo blijft de klacht dat “alle positieve en negatieve gevolgen van een dergelijke beslissing (…) moeten worden bekeken” en dat dit niet deugdelijk is gebeurd (blz. 12 cassatierekest) zonder betekenis als cassatiemiddel indien daarbij niet concreet en met opgaaf van redenen wordt aangegeven welke rechtsregel door het hof zou zijn geschonden, respectievelijk: indien daarbij niet concreet wordt aangegeven waarom de redengeving de bestreden beslissing niet zou kunnen dragen of anderszins voor de lezer onbegrijpelijk zou zijn. In het middel is niet nader aangeduid op welke grieven van de moeder het hof niet zou zijn ingegaan (blz. 11 cassatierekest).
Middel 3is gericht tegen de slotafweging in rov. 3.11.6. De klacht houdt in dat het hof de belangen van de betrokkenen niet, althans op onjuiste wijze, tegen elkaar heeft afgewogen. Deze klacht faalt. De afweging door het hof van de belangen van de verwekker bij erkenning tegenover de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind en de belangen van het kind bij niet-erkenning is in hoge mate verweven met waarderingen van feitelijke aard, die zijn voorbehouden aan de feitenrechter. Het resultaat van die belangenafweging is in cassatie slechts in beperkte mate te toetsen. Het hof is van een juiste rechtsopvatting uitgegaan. Immers, het hof heeft de belangen van de moeder, de dochter én de vader in zijn oordeel in rov. 3.11.6. betrokken. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk, gelet op rov. 3.11.3 - 3.11.5 waarin een deugdelijke motivering is te vinden. Het hof vermeldt in rov. 3.11.5 bovendien dat zowel de Raad voor de Kinderbescherming als de bijzondere curator hebben aangevoerd dat erkenning door de vader in het belang van de dochter is.
conclusiestrekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de in art. 80a lid 1 RO vermelde grond.