Conclusie
De prejudiciële vraag
2.Feiten en procesverloop
( [1] )Rabobank c.s. menen, anders dan de Curator, dat deze beide vragen bevestigend dienen te worden beantwoord. De rechtbank heeft overeenkomstig het verzoek van de Curator met haar prejudiciële vraag deze vragen aan de Hoge Raad voorgelegd.
( [3] )Van die goederen kunnen deel uitmaken bodemzaken in de zin van artikel 22 lid 3 Iw Pro, zijnde ingeoogste of nog niet ingeoogste vruchten en roerende zaken tot stoffering van een huis of landhoef of tot bebouwing of gebruik van het land. Is op deze bodemzaken door de schuldenaar een (stil/bezitloos) pandrecht gevestigd dan heeft, zo volgt uit artikel 21 lid 2 Iw Pro, het fiscale voorrecht bij een zeker aantal in artikel 22 lid 3 Iw Pro genoemde belastingen voorrang boven het pandrecht. Verliest een bodemzaak die status, bijvoorbeeld doordat de pandhouder die zaak uit de macht van de schuldenaar haalt, dan gaat het voorrecht en daarmee de voorrang boven het pandrecht verloren. Dit kan de fiscus voorkomen door beslaglegging voordien op de bodemgoederen (bodembeslag). Het bodembeslag fixeert het voorrecht en de voorrang in die zin dat het voorrecht en de voorrang behouden blijven ook al verliest de bodemzaak daarna het karakter van bodemzaak.
( [4] )In het geval dat de schuldenaar in staat van faillissement is verklaard en zich bij hem bodemzaken bevinden die aan hem toebehoren en die dus in de faillissementsboedel vallen, dan is geen beslaglegging door de fiscus op die zaken nodig om het behoud van het fiscaal voorrecht en de voorrang boven het pandrecht te verzekeren (artikel 21, lid 2 , slotzin Iw). Het faillissementsbeslag zorgt voor de fixatie van het fiscale voorrecht en de voorrang boven het pandrecht. Dit vindt hierin zijn verklaring dat tijdens een faillissement de fiscus geen beslag kan leggen (artikel 33 Fw Pro). De curator dient verder de belangen van de fiscus te bewaken; hij is immers ingevolge lid 2 van artikel 57 Fw Pro gehouden de belangen te behartigen van de bevoorrechte schuldeisers die in rang boven pand- en hypotheekhouders en beperkt gerechtigden gaan.
( [5] )
( [6] )De afkoelingsperiode belet derden gedurende een zekere periode, in beginsel twee maanden, elke bevoegdheid tot verhaal op de boedel of tot opeising van goederen, die zich in de macht van de failliet/curator of sursiet/bewinvoerder bevinden, uit te oefenen. De overweging voor de invoering van de afkoelingsperiode is, geformuleerd vanuit de faillissementssituatie, geweest:
( [8] )nog genummerd als 63d, respectievelijk 241d – luiden vrijwel hetzelfde
( [9] ):
( [10] )Een dergelijk, uiteindelijk ingetrokken voorstel was het voorstel om de werking van de surseance van betaling in artikel 232, onder 10, uit te breiden tot preferente vorderingen behoudens voor zover de preferentie uit pand, hypotheek of retentierecht zou voortvloeien.
( [11] )Een ander ingetrokken voorstel betreft een aanpassing van de slotzin van artikel 21 lid 2 Iw Pro. De aanpassing hield in dat ook voor de surseance van betaling zou gelden dat met het uitspreken daarvan ook het fiscaalvoorrecht en de voorrang daarvan boven het bezitloos pandrecht op aan de schuldenaar toebehorende bodemzaken zouden worden gefixeerd, zoals al voor het faillissement en de schuldsaneringsregeling gold. Om het fiscaal voorrecht en genoemde voorrang veilig te stellen zou beslaglegging door de fiscus niet langer nodig zijn.
( [12] )
( [14] )In verband met dit artikel wordt opgemerkt:
( [15] )met betrekking tot een geval, dat overeenkomt met het in artikel 241c lid 2 Fw geregelde geval maar dat zich in 2003 – dus vóór de inwerkingtreding van dat artikel – afspeelt, al op het artikel geanticipeerd. De feiten van het betrokken geval zijn, voor zover te dezen van belang, de volgende. Alco heeft twee machines in lease aan Memox gegeven. Aan deze laatste wordt op 19 februari 2003 surseance van betaling verleend, terwijl op 20 februari 2003 een afkoelingsperiode wordt afgekondigd. Op die dag heeft Alcor per fax aan de bewindvoerder om afgifte van de twee machines verzocht. Dat verzoek heeft Alcor op 26 februari 2003 bij de rechter-commissaris herhaald, maar de rechter-commissaris wees het verzoek op 27 februari 2003 af. Op 28 februari 2003 heeft de Ontvanger bodembeslag mede op de twee machines gelegd. Memox is op 3 maart 2003 in staat van faillissement verklaard. Een verzoek van Alcor aan de Ontvanger om afgifte van de twee machines wees de Ontvanger aanvankelijk met een beroep op het gelegde bodembeslag af. Na verstrekking van een garantie aan de Ontvanger, heeft hij de twee machines ter beschikking van Singulus gesteld, aan wie de eigendom van de machines inmiddels was overgedragen. Laatstgenoemde is een procedure tegen de Ontvanger gestart, waarin zij onder meer vordert een verklaring voor recht dat de Ontvanger haar het bodemrecht uit artikel 22 lid 3 Iw Pro niet ter zake van de twee machines kan tegenwerpen. De rechtbank wijst de vordering af, het hof wijst haar in appel toe. De Ontvanger komt in cassatie. De Hoge Raad verwerpt het beroep, daartoe onder meer het volgende overwegende:
( [16] )Dat artikel kent 18 leden. Daarvan zijn onder meer de volgende leden te dezen van belang:
( [17] )wordt ter toelichting van de invoering van artikel 22bis onder meer opgemerkt:
( [18] )
Opvattingen over reikwijdte van artikel 241c lid 2 Fw in de rechtsliteratuur
( [19] )De daartoe aangedragen argumenten laten zich als volgt samenvatten. De rechtvaardiging ontbreekt om degene die een pandrecht op een bodemzaak van de schuldenaar heeft tijdens de afkoelingsperiode bij een surseance van betaling anders te behandelen dan degene die een pandrecht heeft op een bodemzaak, die aan een derde toebehoort. De ratio van artikel 241c lid 2 Fw, dat de afkoelingsperiode niet tot een verslechtering van de rechtspositie van de derde/eigenaar van de bodemzaak en degene die een pandrecht op die bodemzaak heeft ten opzichte van de fiscus behoort te leiden, gaat ook op voor degene die een pandrecht op een bodemzaak van de schuldenaar heeft. Anders dan bij faillissement wordt de voorrang van het fiscaal voorrecht op bodemzaken van de schuldenaar boven een bezitloos pandrecht op die zaken met het uitspreken van de surseance van betaling niet gefixeerd. De houder van het bezitloos pandrecht zou derhalve zonder de afkoelingsperiode dat pandrecht in een vuistpand kunnen omzetten. Dat is, zo lijkt het, door de wetgever uit het oog verloren.
( [20] )
( [21] )Tekstra voert in zijn TvI-bijdrage op blz.154 (rk) en blz. 155 voor zijn standpunt aan:
“Zou de wetgever ook de pandhouder (met een pandrecht) op de zaken van de schuldenaar onder deze bepaling [artikel 241c lid 2 Fw] hebben willen brengen dan zou daarmee het bestaande systeem rigoureus zijn omgegooid en daar zou naar mag worden aangenomen het ministerie van Financiën van het begin af aan grote bezwaren tegen hebben gemaakt. Het zou immers tot gevolg hebben dat dat de (grote) groep van pandhouders (met een pandrecht) op zaken van de schuldenaar zelf (de financiers van de schuldenaar, veelal de banken), gebruikmakend van een afkoelingsperiode, met behulp van een deurwaardersexploot het bodemvoorrecht van de fiscus tot een voor de praktijk lege dop zou kunnen maken. De banken zouden dan er belang bij hebben dat de schuldenaar eerst in surseance van betaling gaat met daaraan gekoppeld een afkoelingsperiode, om dan meteen bij deurwaardersexploot de zaken van de schuldenaar zelf op te eisen, teneinde zodoende op de betreffende (bodem)zaken – vooral machines en de inventaris – een sterkere voorrang voor het (bezitloze) pandrecht te creëren dan het bodemvoorrecht van de fiscus. Tekst noch bedoeling van artikel 241c lid 2 Fw leent zich voor een dergelijke constructie.”
5.Tussenconclusie
( [22] )