2.1 De pleitaantekeningen, gehecht aan het proces-verbaal van de op 23 augustus 2011
gehouden terechtzitting van het Hof, houden daaromtrent in:
“1. ontvankelijkheid Openbaar Ministerie.
De uitspraak van de Rechtbank was op 9 juni 2009. Dat betekent dat het arrest in onderhavig appel twee jaar en drie maanden na de uitspraak van de Rechtbank zal worden gedaan. Dat is wederom een overschrijding van de redelijke termijn. Wederom, omdat er al eerdere en ook forse termijnoverschrijdingen in deze zaak te bespeuren zijn. De verdediging wijst hier op de overgelegde pleitnotities in het kader van de in eerste aanleg en hoger beroep gevoerde preliminaire verweren.
De redelijke termijn vangt volgens het OM, de rechtbank en het hof aan op 2 december 2004. Het onderzoek is uiteindelijk gesloten op 1 december 2005. Daarna heeft de zaak stilgelegen tot de zitting van 30 november 2007. En dat terwijl de verdediging in de tussentijd herhaaldelijk heeft geïnformeerd naar de stand van zaken. Het OM heeft nimmer een afdoende verklaring kunnen geven voor deze periode van inactiviteit.
De langdurige inactiviteit van het OM dient getoetst te worden aan het beginsel van de redelijke en billijke belangenafweging. Zie in dit verband het artikel van mr. H. Anker in de Nieuwsbrief Strafrecht van 27 september 2008, afl. 10, 1232 en 1233 (productie 1).
Het gerechtshof in Den Bosch spreekt hierover expliciet in het arrest van 3 maart 2009 (parketnr. 20-000565-08).
Het hof stelt onder meer:
"Het hof volgt de raadsman in zijn standpunt dat bij de belangenafweging in het kader van de vervolgingsbeslissing een schending van de redelijk termijn een rol kanspelen "
Ook komt het voor dat het OM niet-ontvankelijk wordt verklaard in zaken waarin sprake is van een fors tijdsverloop in combinatie met (strijd met) een of meer beginselen van een behoorlijke procesorde.
De verdediging wijst in dit verband op de volgende jurisprudentie: Rechtbank Roermond 9 september 2008, LJN BF 1245; Hof Amsterdam 28 november 2008, LJN BH 2214; Rechtbank Utrecht 2 februari 2009 (NbSr 22 maart 2009, nr. 134); Rechtbank Alkmaar 10 maart 2009 (LNJ BH 5563).
In onderhavige kwestie is de strijd met de beginselen te vinden in de omstandigheid dat:
- het OM aantoonbaar inactief is geweest. Op geen enkele wijze is ook maar enige reden aangedragen voor deze lange periode van inactiviteit.
- er zelfs na aanmaningen van de verdediging geen actie is ontplooid. Door de raadsman van [A] is, met medeweten en goedkeuring van cliënt, herhaaldelijk verzocht om een stand van zaken en een zittingsdatum. In juni 2006 is zelfs medegedeeld dat de zaak op korte termijn zou worden beoordeeld. Ook die toezegging werd vervolgens, zonder enige reden, met voeten getreden. Pas op 30 november 2007 kon cliënt de rechtszaal betreden.
- het OM de schuld en verantwoordelijkheid van de termijnoverschrijding in de schoenen van de rechtbank schoof. De planning van de Rechtbank en het feit dat het functioneel parket niet voldoende zittingsruimte kreeg toebedeeld was de enige verklaring gegeven door het OM voor de forse termijnoverschrijding.
- er in hoger beroep wederom een overschrijding van de redelijke termijn is. Zoals reeds vastgesteld zijn we bij arrest weer twee jaar en drie maanden onderweg. Gezien deze cumulatie van omstandigheden, welke volledig buiten de schuld van de verdediging liggen, en welke door het OM niet verklaard kunnen worden, dient in onderhavige zaak de niet-ontvankelijkheid van het OM te worden uitgesproken.”