Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2013:804

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 september 2013
Publicatiedatum
18 september 2013
Zaaknummer
13/03497
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a RoArt. 287 lid 4 FwArt. 288 lid 2 onder d FwArt. 288 lid 3 FwArt. 350 lid 3 onder a Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toelating schuldsanering wegens eerdere regeling binnen tien jaar

Verzoeker en diens echtgenote dienden op 15 april 2013 een verzoek in bij de rechtbank Den Haag om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling. De rechtbank oordeelde op 7 juni 2013 dat toelating niet mogelijk was omdat op 12 januari 2007 reeds een schuldsaneringsregeling op verzoeker van toepassing was verklaard en hij bij vonnis van 26 april 2010 geen schone lei had gekregen wegens niet-nakoming van verplichtingen en het ontstaan van nieuwe schulden.

Het hof bekrachtigde dit vonnis bij arrest van 9 juli 2013. Verzoeker kwam hiertegen tijdig in cassatie bij de Hoge Raad, met tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. De Hoge Raad stelt vast dat op grond van art. 288 lid 2 onder Pro d Faillissementswet (Fw) toelating tot een nieuwe regeling wordt geweigerd indien binnen tien jaar eerder een regeling van toepassing was, tenzij uitzonderingen zoals genoemd in art. 350 lid 3 Fw Pro van toepassing zijn.

De Minister bevestigde dat deze afwijzingsgrond onverminderd geldt en dat geen generieke hardheidsclausule wordt overwogen. De Hoge Raad concludeert dat het verzoek tot toelating moet worden afgewezen en dat het verzoek tot voorlopige voorziening eveneens niet kan worden toegewezen. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.

Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen en het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie

13/03497
Mr. L. Timmerman
Zitting 6 september 2013
Conclusie inzake:
[verzoeker],
verzoeker tot cassatie

1.Voorgeschiedenis

1.1
Verzoeker en diens echtgenote [betrokkene] [1] hebben op 15 april 2013 een verzoek bij de rechtbank Den Haag ingediend om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling.
1.2
Bij vonnis van 7 juni 2013 oordeelde de rechtbank dat nu op 12 januari 2007 de regeling op verzoeker van toepassing is verklaard en aan hem bij vonnis van 26 april 2010 geen schone lei is toegekend, omdat hij niet voldaan heeft aan zijn verplichtingen en er tijdens de regeling tevens nieuwe schulden zijn ontstaan, dit aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg staat.
1.3
Het hof heeft dit vonnis bij arrest van 9 juli 2013 bekrachtigd. Verzoeker is van dit arrest bij schriftuur, ingekomen bij de Hoge Raad op 17 juli 2013 en dus tijdig, in cassatie gekomen. De cassatieschriftuur bevat tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex art. 287 lid 4 Fw Pro.

2.Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1
In cassatie staat vast dat de wettelijke schuldsaneringsregeling op 12 januari 2007 op verzoeker van toepassing is verklaard en aan hem bij vonnis van 26 april 2010 geen schone lei is toegekend, omdat hij niet voldaan heeft aan zijn verplichtingen en er tijdens de regeling tevens nieuwe schulden zijn ontstaan.
2.2
Art. 288 lid 2 onder Pro d Fw staat – imperatief – aan toelating in de weg indien minder dan tien jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, de schuldsaneringsregeling ten aanzien van de schuldenaar van toepassing is geweest, tenzij deze toepassing is beëindigd op grond van art. 350 lid 3 onder Pro a of b Fw, of op grond van art. 350 lid 3 onder Pro d Fw, om redenen die de schuldenaar niet waren toe te rekenen.
2.3
De Minister heeft in zijn antwoord van 23 april 2013 op kamervragen van de SP over dit punt onderstreept dat deze imperatieve afwijzingsgrond nog onverminderd geldt, en dat formulering van een generieke hardheidsclausule niet wordt overwogen. De hardheidsclausule van art. 288 lid 3 Fw Pro ziet niet op art. 288 lid 2 onder Pro d Fw. Het arrest van Uw Raad van 1 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY0964, geldt dus nog onverkort.
2.4
Nu het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling afgewezen dient te worden, komt zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex art. 287 lid 4 Fw Pro ook niet voor toewijzing in aanmerking.
Conclusie
Deze strekt tot niet-ontvankelijkheid op de voet van art. 80a Ro.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

Voetnoten

1.Zie mijn conclusie van heden terzake het cassatieberoep van de echtgenote met rolnr. 13/03499.