Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
De stelling van [verweerster] dat de fiscus de management overeenkomst zou beschouwen als een fictief dienstverband vanwege het eerdere dienstverband als bedrijfsjurist, klopt niet, omdat [verweerster] in afwachting van het verbetertraject slechts tijdelijk alleen de werkzaamheden van haar dienstverband uitvoerde. Dat risico was er dus niet.” In hoger beroep heeft CTS herhaald dat de ontheffing uit de directeurstaken slechts tijdelijk was. Vanwege deze relatie/verwevenheid tussen het intrekken van de zelfstandigheidsgarantie en de ontheffing uit haar directeurstaken, welke ontheffing volgens CTS als gezegd tijdelijk van aard was, geldt evenals in rechtsoverweging 23 is geoordeeld, dat [verweerster] ook op dit punt in gebreke had moeten worden gesteld en een redelijke termijn voor nakoming had moeten worden gegeven. Dat geldt óók als juist is dat de advocatenpraktijk, die [verweerster] zelfstandig naast haar werk voor CTS exploiteerde, impliceerde dat zij reeds daarom fiscaal als zelfstandige gold in de hoedanigheid van directeur bij de dochtervennootschappen van CTS, zoals dat in art. 9 van Pro de managementovereenkomst is verwoord, en de zelfstandigheidsgarantie daarom ten onrechte was ingetrokken. Immers, ook in dat geval was het voor [verweerster] mogelijk geweest om de zelfstandigheidsgarantie weer (zo nodig met terugwerkende kracht) te verstrekken.”
Immers […] te verstrekken.’) van rov. 28, indien dit oordeel – kort gezegd – inhoudt dat de tekortkoming van [verweerster] ‘dus’ (mede daarom) voor herstel vatbaar zou zijn, daar zij ongedaan gemaakt zou kunnen worden om de reden dat [verweerster] ‘gewoon’ alsnog
met terugwerkende krachtde garantie zou kunnen hebben verstrekken en/of dat [verweerster] door CTS (ook daarom) eerst ingebreke gesteld had met moeten worden met het stellen van een redelijke termijn.” Het onderdeel vervolgt: “Immers, in elk geval kan reeds niet ongedaan worden het feitelijke gegeven dat de advocaat van [verweerster] bij brief van 28 augustus 2009 geschreven heeft dat ‘
per heden’ de in art. 9 van Pro de managementovereenkomst gegeven garantie van [verweerster] ingetrokken is.” Het onderdeel poogt dit vervolgens nog verder te verduidelijken: “Het Hof miskent met dat oordeel dat een dergelijke, ongerechtvaardigde ‘
Ik kom niet na’-mededeling van een schuldenaar (al snel) een ontwrichtende uitwerking heeft in de relatie tussen schuldeiser en schuldenaar en dat een dergelijke mededeling alleen al daarom in beginsel met zich brengt dat geen ingebrekestelling met redelijke termijnstelling nodig is, althans het Hof heeft nagelaten toereikend te motiveren waarom dat in casu wèl nodig zou zijn, hoezeer ook [verweerster] een dergelijke mededeling aan CTS gedaan heeft en zij naar ’s Hofs eigen oordeel in rov. 28 (1e volzin) met haar mededeling jegens CTS
tekortgeschotenis.”
èn‘los’ daarvan, valt niet, laat staan zonder méér, in te zien waarom die relatie/verwevenheid ‘dus’ zou impliceren dat [verweerster] in gebreke gesteld had moeten worden en een redelijke termijn voor nakoming gegeven had moeten worden, nu het Hof – en dit is reeds in het licht van art. 4 lid 6 van Pro de managementovereenkomst alleszins begrijpelijk – niet
tevensgeoordeeld heeft dat CTS (contractueel)
onbevoegd geweest zou zijn om [verweerster] uit haar directeurstaken te ontheffen of dat CTS die ontheffing uit Tesinks directeurstaken (anderszins) achterwege had moeten laten.”
[d]at geldt óók als juist is dat de advocatenpraktijk, die [verweerster] zelfstandig naast haar werk voor CTS exploiteerde, impliceerde dat zij reeds daarom fiscaal als zelfstandige gold in de hoedanigheid van directeur bij de dochtervennootschappen van CTS, zoals dat in art. 9 van Pro de managementovereenkomst is verwoord, en de zelfstandigheidsgarantie ten onrechte was ingetrokken.’” Volgens het onderdeel miskent het hof met dit oordeel namelijk “dat het zonder (te dezen relevant) voorbehoud door een schuldenaar aan zijn schuldeiser afleggen van een uitdrukkelijke verklaring die ertoe strekt dat een contractuele garantie per heden ingetrokken wordt en die aldus een tekortkoming in de nakoming impliceert (in beginsel) voor risico komt van deze schuldenaar, zodat niet, laat staan zonder méér, valt in te zien waarom óók als de schuldenaar die verklaring (mogelijk) ‘
ten onrechte’ resp. in dwaling heeft afgelegd de schuldenaar (op dit punt) desalniettemin ter zake nog in gebreke gesteld zou moeten worden en hem een redelijke termijn voor nakoming gegeven zou moeten worden.”