ECLI:NL:PHR:2013:818

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 juni 2013
Publicatiedatum
24 september 2013
Zaaknummer
11/04068
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 SvArt. 453 SvArt. 454 SvArt. 80a ROArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart verdachte niet-ontvankelijk in cassatie na intrekking hoger beroep

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarin hij niet-ontvankelijk werd verklaard in hoger beroep na intrekking van dat hoger beroep ter terechtzitting. Verdachte was in eerste aanleg veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf voor meerdere feiten van oplichting, verduistering, valsheid in geschrift en witwassen, en er waren verbeurdverklaringen en schadevergoedingen toegewezen aan benadeelden.

Tijdens de terechtzitting in hoger beroep op 15 juni 2011 heeft verdachte het hoger beroep ingetrokken. Het hof heeft dit verzoek gehonoreerd, mede gelet op het ontbreken van een belang bij voortzetting van het hoger beroep voor de benadeelden en het slachtoffer. De Hoge Raad overweegt dat de intrekking ter terechtzitting niet absoluut is en dat het recht om het beroep opnieuw aan te wenden na zo’n intrekking vervalt, analoog aan art. 453 lid 1 Sv Pro.

De Hoge Raad concludeert dat verdachte niet in cassatie kan worden ontvangen omdat hij afstand heeft gedaan van zijn recht om het rechtsmiddel opnieuw te gebruiken. Ook een uitzondering voor gevallen waarin de verdachte de gevolgen niet kon overzien wordt verworpen, nu verdachte rechtsbijstand had en geen dergelijke stelling is aangevoerd. Het cassatiemiddel klaagt over de niet-ontvankelijkverklaring, maar faalt omdat in cassatie geen nieuwe feiten kunnen worden ingebracht en het hof terecht heeft geoordeeld dat het belang van de benadeelden niet tegen de intrekking sprak.

De conclusie is dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Tevens merkt de Hoge Raad op dat de redelijke termijn voor cassatie is overschreden, maar dat dit niet tot een andere uitkomst leidt.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens intrekking van het hoger beroep ter terechtzitting.

Conclusie

Nr. 11/04068
Zitting: 18 juni 2013
Mr. Knigge
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 15 juni 2011 verdachte niet ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 23 juni 2009 waarbij (i) verdachte wegens onder 1, 2, 3, 5, 6 en 8 “oplichting, meermalen gepleegd”, onder 4 “verduistering, gepleegd tegen hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft”, onder 7 “verduistering, meermalen gepleegd”, onder 9 “valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” en onder 10 “een gewoonte maken van witwassen” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tweeënveertig maanden, (ii) een drietal in het vonnis nader omschreven inbeslaggenomen voorwerpen zijn verbeurdverklaard en ten aanzien van andere in het vonnis nader omschreven goederen de teruggave is gelast en (iii) de vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] is toegewezen tot een bedrag van € 15.152,- en de vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] is toegewezen tot een bedrag van € 705.550,65.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. R.W. Limburg, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.

4.De ontvankelijkheid van het ingestelde beroep

4.1.
Voordat ik het middel bespreek, werp ik de vraag op of de verdachte kan worden ontvangen in het ingestelde cassatieberoep.
4.2.
Het bestreden arrest houdt – voor zover hier relevant – het volgende in.

Ontvankelijkheid van het ingestelde hoger beroep
Ter terechtzitting in hoger beroep van 15 juni 2011 heeft de verdachte medegedeeld dat hij het ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 juni 2009 wenst in te trekken. De advocaat-generaal heeft te kennen gegeven dat hij – alles afwegende – geen belang ziet in de voortzetting van de zaak.
Het hof heeft bij het maken van de afweging of er belangen zijn die zich tegen het staken van de behandeling in hoger beroep verzetten met name de positie van de benadeelde partijen in acht genomen en voorts die van [slachtoffer], slachtoffer.
Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 1] geldt dat zij zich in hoger beroep niet wederom heeft gevoegd, zodat haar vordering in hoger beroep gelijk is aan het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 15.152,-. Het is mitsdien in het belang van [benadeelde 1] dat het vonnis van de rechtbank op korte termijn onherroepelijk wordt.
Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 2] geldt dat zij zich opnieuw heeft gevoegd voor een bedrag van € 706.567,80, nadat in eerste aanleg haar vordering tot een bedrag van €705.550,65 was toegewezen, alsmede de kosten voor rechtsbijstand, toen vooralsnog begroot op € 1.016,69. [benadeelde 2] heeft
in essentie dezelfde posten bij de burgerlijk rechter aanhangig gemaakt. Uit het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 april 2010 blijkt – kort gezegd – dat de burgerlijke rechter zich over alle posten van de civiele vordering heeft uitgesproken, met uitzondering van de zogeheten creditcardfraude ten bedrage van € 63.572,20 – waar de burgerlijke rechter te kennen heeft gegeven op de (onherroepelijke) uitspraak van de strafrechter te willen wachten – alsmede de door [benadeelde 2] gestelde posten goodwill en gederfde
inkomsten. Laatstgenoemde twee posten zijn door [benadeelde 2] in de strafzaak niet gesteld, zodat het hof deze niet in zijn afweging heeft betrokken.
Het is het in het belang van [benadeelde 2] dat het vonnis in eerste aanleg onherroepelijk wordt, nu het onder 2 bewezenverklaarde feit betrekking heeft op de vordering van € 63,572,20 en het geding bij de burgerlijke rechter met inachtneming van de onherroepelijk geworden bewezenverklaring van feit 2 kan worden voortgezet. Alles afwegende is het hof van oordeel dat de belangen van [benadeelde 2] zich evenmin verzetten tegen het beëindigen van de procedure in hoger beroep.
[slachtoffer] is slachtoffer van het in eerste aanleg onder 4 bewezenverklaarde feit en heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 7 september 2010 gesteld dat hij bedoeld heeft zich in eerste aanleg als benadeelde partij te voegen en dat hij daartoe een advocaat opdracht had gegeven, maar dat een en ander niet zijn beslag heeft gekregen. Het hof heeft in het dossier geen stukken aangetroffen waaruit kan worden opgemaakt dat [slachtoffer] zich (tijdig) als benadeelde partij heeft gevoegd. De advocaat-generaal heeft onderzoek naar deze kwestie verricht en heeft geconstateerd dat de vordering van [slachtoffer] niet of niet tijdig bij de rechtbank en/of het openbaar ministerie is ingekomen. Het hof constateert dat [slachtoffer] mitsdien niet in de strafrechtelijke procedure als benadeelde partij had kunnen worden erkend.
Bij deze stand van zaken en nu hij er civielrechtelijk bij gebaat kan zijn dat het vonnis in eerste aanleg onherroepelijk wordt, is het hof van oordeel dat [slachtoffer] evenmin enig belang heeft bij voortzetting van de procedure in hoger beroep.
Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat, nu ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met de voortgezette behandeling van de zaak, de verdachte niet ontvangen dient te worden in het door hem ingestelde hoger beroep.”
4.3.
De Hoge Raad heeft de “intrekking” van het hoger beroep nadat de behandeling van dat beroep is aangevangen, in de sleutel van art. 416, leden 2 en 3, Sv gezet. [1] Het verschil met de in de art. 453 en Pro 454 Sv geregelde (echte) intrekking is, dat de intrekking ter terechtzitting afhankelijk is van het oordeel van het Hof. Dat kan, ondanks de wens van de verdachte het beroep in te trekken, besluiten art. 416 lid 2 Sv Pro niet toe te passen. Het recht om het hoger beroep ter zitting in te trekken is dus, anders dan het recht om het beroep voorafgaande aan de zitting in te trekken, niet absoluut. De vraag is of dat verschil een verschil in rechtsgevolgen rechtvaardigt tussen de intrekking die vóór de zitting is gedaan en de tijdens de zitting door het Hof gehonoreerde intrekking. Aan de eerste intrekking zit de verdachte vast. Hij doet daarmee afstand van het recht om het rechtsmiddel opnieuw aan te wenden (art. 453 lid 1 Sv Pro). Kan de verdachte op een na de aanvang van de terechtzitting gedane intrekking wél terugkomen door cassatie in te stellen tegen de toewijzing door het Hof van zijn verzoek om art. 416 lid 2 Sv Pro toe te passen?
4.4.
Ik zou menen van niet. Naar analogie van art. 453 lid 1 Sv Pro zou gezegd kunnen worden dat de verdachte die ter terechtzitting om toepassing van art. 416 lid 2 Sv Pro verzoekt, daarmee afstand doet van zijn recht om tegen de toewijzende beslissing beroep in cassatie in te stellen. Men zou ook kunnen zeggen – maar dat komt in wezen op hetzelfde neer – dat de verdachte in zo een geval zijn recht om in cassatie te gaan heeft verwerkt of, als hij in cassatie gaat, van dat recht misbruik maakt. [2] In toekomstige zaken kan de niet-ontvankelijkheid wellicht ook gebaseerd worden op art. 80a RO, dat in casu toepassing mist nu de schriftuur vóór 1 september 2012 is binnengekomen. [3]
4.5.
Aan de vraag of een uitzondering zou moeten worden gemaakt voor gevallen waarin ernstige twijfel rijst aan de rechtsgeldigheid van de gedane “intrekking” omdat de verdachte de gevolgen daarvan niet kon overzien, meen ik te mogen voorbijgaan nu de verdachte ter terechtzitting van het Hof van rechtsbijstand was voorzien, terwijl bovendien in de schriftuur niets van dien aard wordt aangevoerd.
4.6.
Mijn conclusie is dus dat de verdachte niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen. Voor het geval de Hoge Raad daarover anders zou oordelen, bespreek ik het middel.

5.Het middel

5.1.
Het middel klaagt over de niet-ontvankelijkverklaring.
5.2.
In de toelichting op het middel – dat met name over de begrijpelijkheid van ’s Hofs beslissing lijkt te willen klagen – wordt gesuggereerd dat het Hof, indien het ten tijde van het wijzen van het bestreden arrest bekend was geweest met een (later gewezen) tussenarrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 november 2011 in het hoger beroep in een civiele zaak van benadeelde partij [benadeelde 2] tegen verdachte met betrekking tot schadeposten die (grotendeels) overeenkomen met de schadeposten waarvan benadeelde partij [benadeelde 2] in de onderhavige strafzaak vergoeding heeft gevorderd, verdachte niet niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep zou hebben verklaard. Als ik het middel goed begrijp, zou uit een aantal procedurele beslissingen in de genoemde civiele zaak moeten blijken dat de vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] te gecompliceerd is voor behandeling in de strafzaak en dat de niet-ontvankelijkverklaring van het Hof die als gevolg heeft dat de toewijzing van de vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] in eerste aanleg onherroepelijk wordt in het verlengde daarvan niet begrijpelijk is.
5.3.
Het middel is tot mislukken gedoemd. In de eerste plaats omdat in cassatie geen beroep kan worden gedaan op nieuwe feiten die in cassatie niet vaststaan en in de tweede plaats omdat het middel – zoals van de zijde van benadeelde partij [benadeelde 2] in een op 25 mei 2012 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen verweerschrift terecht wordt opgemerkt – berust op de onjuiste opvatting dat ’s Hofs niet-ontvankelijkverklaring een oordeel over de eenvoud van de in eerste aanleg toegewezen vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] impliceert. Het Hof heeft onderzocht of het belang van de benadeelde partij [benadeelde 2] zich tegen toewijzing van het verzoek van de verdachte verzet. Dat was naar het oordeel van het Hof niet het geval. Daarin ligt het kennelijke oordeel van het Hof besloten dat het eventuele gecompliceerde karakter van de vordering van de benadeelde partij, geen grond oplevert om het verzoek van de verachte af te wijzen. Onbegrijpelijk is dat allerminst.
5.4.
Het voorgestelde middel kan niet slagen en zou afgedaan kunnen worden met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering.
6. Voor het geval de Hoge Raad van oordeel is dat de verdachte in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen, merk ik ambtshalve op dat nu reeds vaststaat dat de Hoge Raad in de onderhavige zaak, waarin door verdachte op 28 juni 2011 beroep in cassatie is ingesteld, uitspraak zal worden gedaan meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep, dus nadat de voor de afdoening in cassatie als redelijke termijn in de zin van art. 6 lid 1 EVRM Pro geldende termijn is verstreken.
7. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

1.Zie HR 28 juni 2011, LJN BP2709 en HR 27 september 2011, LJN BR1148, NJ 2011/456.
2.Vgl. HR 22 februari 1994, LJN ZC9649, NJ 1994/306; HR 16 april 1996, LJN ZC8301 en HR 13 juni 2006, LJN , NJ 2006/367.
3.HR 4 juni 2013, zaaksnr. 12/01175 A, waarin art. 80a RO werd toegepast in een zaak waarin de schriftuur op 27 juli 2012 binnenkwam, maakt dit, neem ik voorshands aan, niet anders.