Conclusie
4.De ontvankelijkheid van het ingestelde beroep
Ontvankelijkheid van het ingestelde hoger beroep
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarin hij niet-ontvankelijk werd verklaard in hoger beroep na intrekking van dat hoger beroep ter terechtzitting. Verdachte was in eerste aanleg veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf voor meerdere feiten van oplichting, verduistering, valsheid in geschrift en witwassen, en er waren verbeurdverklaringen en schadevergoedingen toegewezen aan benadeelden.
Tijdens de terechtzitting in hoger beroep op 15 juni 2011 heeft verdachte het hoger beroep ingetrokken. Het hof heeft dit verzoek gehonoreerd, mede gelet op het ontbreken van een belang bij voortzetting van het hoger beroep voor de benadeelden en het slachtoffer. De Hoge Raad overweegt dat de intrekking ter terechtzitting niet absoluut is en dat het recht om het beroep opnieuw aan te wenden na zo’n intrekking vervalt, analoog aan art. 453 lid 1 Sv Pro.
De Hoge Raad concludeert dat verdachte niet in cassatie kan worden ontvangen omdat hij afstand heeft gedaan van zijn recht om het rechtsmiddel opnieuw te gebruiken. Ook een uitzondering voor gevallen waarin de verdachte de gevolgen niet kon overzien wordt verworpen, nu verdachte rechtsbijstand had en geen dergelijke stelling is aangevoerd. Het cassatiemiddel klaagt over de niet-ontvankelijkverklaring, maar faalt omdat in cassatie geen nieuwe feiten kunnen worden ingebracht en het hof terecht heeft geoordeeld dat het belang van de benadeelden niet tegen de intrekking sprak.
De conclusie is dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Tevens merkt de Hoge Raad op dat de redelijke termijn voor cassatie is overschreden, maar dat dit niet tot een andere uitkomst leidt.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens intrekking van het hoger beroep ter terechtzitting.