AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Cassatie over medeplegen poging zware mishandeling en schuldheling met discussie over voorwaardelijk opzet
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van poging tot zware mishandeling en schuldheling. Op 6 november 2009 reed verdachte met een Fiat-auto waarbij stenen werden gegooid naar een motoragent, en werd de agent tweemaal met de auto bijna aangereden.
Het Hof achtte bewezen dat verdachte medepleegde aan poging zware mishandeling, waarbij het eerste incident werd gekwalificeerd als voorwaardelijk opzet, en het tweede als opzettelijk handelen. Verdachte werd veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan vijf voorwaardelijk. Daarnaast werd schadevergoeding toegekend aan de benadeelde partij.
De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het Hof over voorwaardelijk opzet bij het eerste incident niet verenigbaar is met de opengebleven mogelijkheid van een accidentele aanrijding, waardoor de bewezenverklaring op dat punt niet kan blijven staan. Tevens is de motivering van het Hof over het verband tussen schuldheling en schadevergoeding onvoldoende. De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het betreft de bewezenverklaring en strafoplegging omtrent het onder 2 tenlastegelegde en de schadevergoeding, en verwijst de zaak terug voor nieuwe beslissing.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest Hof Amsterdam voor het onder 2 tenlastegelegde en de schadevergoeding en verwijst de zaak terug voor nieuwe beslissing.
Voetnoten
1.Ik merk op dat onder 2 primair niet is tenlastegelegd noch bewezenverklaard dat verdachte de poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd, in vereniging met (een) ander(en) heeft gepleegd. De middelen klagen daarover evenwel niet.
2.Een afschrift van de schriftuur van de verdachte als bedoeld in art. V lid 1 van het Procesreglement van de strafkamer van de Hoge Raad is pas op 12 juni 2013 aan de benadeelde partij toegezonden. Dit betekent dat er gelet op de termijn van dertig dagen vermeld in lid 2 van dit artikel nog een verweerschrift van de benadeelde partij kan binnenkomen. Mocht dit zich inderdaad voordoen dan ben ik desgewenst uiteraard bereid aanvullend te concluderen.
3.Ik heb de door het Hof opgenomen voetnoten weggelaten.
4.Deze misslag kan worden verklaard doordat in eerste aanleg de diefstal/heling van de personenauto van [betrokkene 1] blijkens de dagvaarding als feit 2 aan de verdachte was tenlastegelegd. Ter terechtzitting van 20 januari 2011 heeft het Hof een vordering van de advocaat-generaal tot wijziging van de tenlastelegging toegewezen, welke wijziging onder meer een vernummering inhield van voormelde diefstal/heling tot feit 3.
5.HR 24 maart 1998, LJN ZD0985, NJ 1998/537.
6.Vgl. HR 24 maart 1998, LJN ZD0985, NJ 1998/537, waarin de Hoge Raad besliste dat het oordeel van het Hof dat de bewezenverklaarde opzetheling en de kort daarvoor gepleegde diefstal van een geldkist in zodanig nauw verband staan tot elkaar dat de door de verdachte gepleegde opzetheling rechtstreeks de door de benadeelde partij geleden schade heeft veroorzaakt niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat, kort gezegd, verdachte zeer nauw betrokken is geweest bij de diefstal (het handelen van de verdachte/heler was de aanleiding tot de diefstal en de verdachte/heler was ter plekke aanwezig toen de diefstal werd gepleegd) en HR 30 maart 2004, LJN AO3291, NJ 2004/343, waarin de Hoge Raad besliste dat het kennelijke oordeel van het Hof dat de gedragingen van de verdachte (die in deze zaak is veroordeeld ter zake opzetheling van een gestolen auto, welke gestolen auto, toen de verdachte zich aan zijn aanhouding ter zake van opzetheling heeft willen onttrekken, in botsing is gekomen met een surveillancevoertuig) en de bewezenverklaarde opzetheling in zodanig nauw verband staan met elkaar dat door de opzetheling rechtstreeks aan de eigenaar van de gestolen auto de door deze geleden schade is toegebracht geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, evenmin onbegrijpelijk is en geen nadere motivering behoefde, mede in aanmerking genomen dat ter terechtzitting ter zake geen verweer is gevoerd. Zie voor enkele andere voorbeelden voorts HR 29 januari 2002, LJN AD7013, HR 12 februari 2002, LJN AD6993 en HR 6 november 2012, LJN BX5551, NJ 2012/643.