Conclusie
eerste middelklaagt tevergeefs over een overschrijding van de redelijke termijn in de fase van cassatie.
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch dat het vonnis van de rechtbank Maastricht bevestigde. De verdachte werd medepleger geacht van poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling, gepleegd tegen mannen die naar het oordeel van de dadergroep een homoseksuele geaardheid hadden. Het geweld werd door de daders aangeduid als "flikkertikken".
De klachten in cassatie richtten zich op het ontbreken van bewijs dat de verdachte persoonlijk het geweld heeft toegepast, met name het schoppen tegen het hoofd van de slachtoffers terwijl zij op de grond lagen. Het hof oordeelde echter dat het niet noodzakelijk is om exact vast te stellen welk geweld de verdachte persoonlijk heeft gepleegd, aangezien medeplegen en voorwaardelijk opzet zijn bewezen verklaard.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a van het Wetboek van Strafvordering, waarmee de klachten over overschrijding van de redelijke termijn en de inhoudelijke bezwaren niet inhoudelijk werden behandeld. De procureur-generaal onderschreef de bewezenverklaring en kwalificatie als medeplegen van poging tot doodslag en zware mishandeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard en het hofarrest bevestigd.