Conclusie
[verdachte]
eerste middelkomt op tegen de bewezenverklaring van feit 3B, in het bijzonder tegen de uitleg van het begrip ‘fiscale eenheid’. Het middel bestaat uit twee onderdelen.
tweede middelklaagt over het gebruik van de verklaring van de getuige [getuige 1] voor het bewijs terwijl de verdediging uitdrukkelijk gemotiveerd heeft betoogd dat zijn verklaringen niet geloofwaardig zijn.
derde middelhoudt in dat het hof niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijke standpunt dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte facturen tezamen en in vereniging met anderen valselijk zou hebben opgemaakt. De steller van het middel verwijst daarbij naar de facturen aangaande [D], [E] BV, [F], [G] en [H].
vierde middelklaagt erover dat het hof niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat geen sprake is geweest van daderschap van de rechtspersoon [A] BV zoals door het hof bewezenverklaard onder feit 2 en 3. Het zou gaan om een solo-actie van de verdachte.
Het feitelijk leidinggeven
Voor een bewezenverklaring van feitelijke leiding geven is een formele relatie met de rechtspersoon niet vereist. Ook iemand die formeel niets met de rechtspersoon te maken heeft, maar wel feitelijk de touwtjes in handen heeft, kan als feitelijk leidinggever worden beschouwd van gedragingen in de sfeer van de vennootschappen. Het hof is van oordeel dat uit de verschillende getuigeverklaringen blijkt dat dit laatste in ieder geval bij verdachte het geval was. (Zie bijvoorbeeld de verklaring van getuige [getuige 6] bij de raadsheer-commissaris op 5 februari 2009 onder punt 6.) Het hof merkt daarbij op dat verdachte in ieder geval tot 1 januari 2005 ook formeel aan de rechtspersoon verbonden was als bedrijfsleider met volledige volmacht.
Verdachte voldoet ook overigens aan de voorwaarden voor feitelijke leidinggeven.”
- het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,
- de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon,
- de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf,
- de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging (vgl. HR 21 oktober 2003, LJN AF7938, NJ 2006/328).”
vijfde middelhoudt in dat het hof het verweer dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is geschonden ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. Het hof zou zijn tekort geschoten in de motivering waarom een tijdsverloop van drieënhalf jaar in hoger beroep niet moet leiden tot het oordeel dat de redelijke termijn is geschonden.
zesde middelklaagt over de schending van de redelijke termijn in cassatie. Dat middel is terecht voorgesteld. [8] De stukken zijn bij de Hoge Raad binnengekomen op 3 augustus 2012 zodat de door de Hoge Raad op 8 maanden gestelde inzendtermijn met 30 dagen is overschreden. Deze overschrijding dient te leiden tot strafvermindering.