Conclusie
4.Het eerste middel
5.Het tweede middel
Nadere bewijsoverwegingen
Parket bij de Hoge Raad
Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor poging tot doodslag en een gevangenisstraf van zes jaren opgelegd. Het hof wees een verzoek tot het horen van twee verbalisanten als getuigen af wegens gebrek aan noodzaak, waarbij de verdediging stelde dat de verkeerde maatstaf was gehanteerd.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof inderdaad de verkeerde maatstaf heeft toegepast bij de afwijzing van het getuigenverzoek, aangezien het verzoek schriftelijk en tijdig was ingediend en de hoofdregel van art. 418 lid 1 Sv Pro van toepassing was. Dit betekent dat het hof had moeten beoordelen of het afzien van de getuigenverhoor de verdediging van verdachte schaadde.
Ten aanzien van de bewezenverklaring bevestigt de Hoge Raad dat het hof voldoende en overtuigend bewijs heeft overwogen, waaronder verklaringen van het slachtoffer, getuigenverklaringen, technische en DNA-onderzoeken. De klachten over onvoldoende respons op bepaalde verdedigingstandpunten worden verworpen.
Het middel over overschrijding van de redelijke termijn wordt niet behandeld vanwege het slagen van het eerste middel. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak voor verdere behandeling terug naar het hof, conform art. 440 Sv Pro.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onjuiste maatstaf bij afwijzing getuigenverzoek; de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling.