Voorts heeft het Hof ten aanzien van het bewijs het volgende overwogen:
“
Nadere bewijsoverwegingen
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan de verdachte subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag, gevolgd door diefstal, wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
Het standpunt van de raadsman
De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het hem ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij aangevoerd dat op basis van de stukken van het dossier niet wettig en overtuigend is komen vast te staan dat de verdachte degene is geweest die de bij de aangever geconstateerde verwondingen heeft toegebracht.
Het oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de primair, impliciet subsidiair, ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend kan worden bewezen. Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt het hof het volgende af.
Op 28 juni 2008 te 04.03 uur is bij de politie de melding binnengekomen dat in de [a-straat] te Amsterdam, ter hoogte van perceel 91, een persoon is neergestoken dan wel neergeschoten [ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van relaas onderzoek van 25 november 2009, p. A 1]. Bij aankomst op voormeld adres te 04.11 uur trof de politie [slachtoffer] aan, liggend op de grond op zijn buik in een plas bloed. De verbalisanten constateerden dat [slachtoffer] in zijn rechterwang een grote snede had, alsmede een steekwond in zowel zijn linker- als zijn rechterbeen [ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 28 juni 2009, p. B 3].
Over de toedracht van dit letsel heeft de aangever [slachtoffer], die ook in hoger beroep ter terechtzitting is gehoord, steeds verklaard dat hij op 28 juni 2008 rond 02.00 uur vanuit zijn woning aan de [b-straat 1] te Amsterdam een sms-bericht heeft gestuurd naar de datingsite van TMF. Hij gaf in dit bericht aan op zoek te zijn naar een Marokkaanse jongen voor seksueel contact. In dit sms-bericht had hij tevens zijn telefoonnummer 06-[001] vermeld. In reactie op dit sms-bericht zou een jongen van Marokkaanse komaf telefonisch contact met hem hebben opgenomen. De mannen spraken af op station Sloterdijk, alwaar aangever rond 02.15 uur arriveerde. Kort na een laatste telefonisch contact te 02.30 uur zou de Marokkaanse man aan de bijrijderzijde van de auto van aangever zijn ingestapt, waarna zij naar de woning van aangever zijn gereden. Onderweg stopten zij om bier en sigaretten te kopen. Rond 03.00 uur arriveerden zij bij de woning van aangever. In de woonkamer van deze woning hebben zij eerst een seks film gekeken. De Marokkaanse man zou ondertussen sigaretten hebben gerookt en bier hebben gedronken. Vervolgens zouden aangever en de man seksuele handelingen hebben verricht. Nadat de mannen zich hadden aangekleed, vroeg de Marokkaanse man de aangever om geld. Aangever gaf te kennen geen geld te hebben. De Marokkaanse man zou hierop een mes hebben gepakt en aangever met dit mes hebben gestoken, onder andere in zijn gezicht en in zijn been. Uit paniek is de aangever vervolgens vanaf de tweede verdieping uit het raam gesprongen. Op het moment dat aangever buiten op de grond lag, heeft hij om hulp geroepen. De Marokkaanse man zou naar de op de grond liggende aangever zijn toegelopen en hem wederom hebben gestoken. De Marokkaanse man zou daarbij om de autosleutel van aangever hebben gevraagd. Volgens de aangever betrof de dader een slanke Marokkaanse man, 1.75 tot 1.80 meter lang, met een smal dun gezicht en aan de zijkant kort zwart haar, en was hij gekleed in een witte broek, wit/groengestreept shirt en een bruine leren jas [verklaring [slachtoffer], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 17 januari 2011; ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van 6 juli 2009, inhoudende de aangifte van [slachtoffer], p. B 26, 27 en 28 en ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [slachtoffer], p. B 209, 210, 211 en 213].
Het dossier bevat voorts de resultaten van het onderzoek naar de historische gegevens van het telefoonnummer met bijbehorend IMEI-nummer dat in gebruik was bij de aangever, te weten 06-[001]. Hieruit volgt dat aangever op 28 juni 2009 in totaal driemaal is gebeld door het telefoonnummer 06-[002], met IMEI-nummer [003]. Aangever heeft dit telefoonnummer eenmaal teruggebeld. Deze telefonische contacten vonden plaats te 02.04, 02.07, 02.26 en 02.30 uur. Ten tijde van het laatste telefoongesprek te 02.30 uur bevond het telefoontoestel met het nummer 06-[002] zich in de omgeving van paallocatie Harry Koningsbergerstraat 96 te Amsterdam-West, op een afstand van 1,1 kilometer van station Sloterdijk te Amsterdam. Uit een op bevel van de officier van justitie gestarte technische actie op het telefoonnummer 06-[002] bleek dit nummer in gebruik te zijn bij de verdachte [ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 23 juli 2009, p. B 118, 119 en 120]. Bij de aanhouding van de verdachte op 22 juli 2009 is de telefoon met IMEI-nummer [003] en telefoonnummer 06-[002] ook onder de verdachte aangetroffen [ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van aanhouding van 22 juli 2009, p. B 100; ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 23 juli 2009, p. B 105].
Verder zijn bij doorzoeking van de woning van de aangever in de woonkamer verschillende sigarettenpeuken in de asbak en naast de asbak op de salontafel aangetroffen [ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 22 juli 2009, p. B 145 en 147 en schriftelijk bescheid, zijnde een door het NFI opgemaakt deskundigenrapport van 24 augustus 2009, p. B 218]. Uit onderzoek van het NFI volgt dat alleen het DNA-profiel van de verdachte zich op drie van deze sigarettenpeuken bevond [schriftelijke bescheiden, zijnde een door het NFI opgemaakt deskundigenrapport van 24 augustus 2009, p. B 223 en een door het NFI opgemaakt deskundigenrapport van 19 februari 2010, p. 4].
Ten slotte zijn er getuigen, buurtbewoners, gehoord. Zo verklaart getuige [getuige 1] in de nacht van 28 juni 2008 wakker te zijn geworden van lawaai op straat. Vanaf het balkon hoorde zij een stem, die zij herkende als de stem van haar onderbuurman. Ze hoorde dat haar onderbuurman, die op de grond lag, het uitschreeuwde van de pijn en om hulp riep. De getuige [getuige 1] zag dat haar onderbuurman door een andere man werd geschopt en geslagen. Deze man droeg een lichte broek [ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van bevindingen buurtonderzoek 29 juni 2009, inhoudende de verklaring van [getuige 1], p. B 8; ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van 28 juli 2009, inhoudende de verklaring van [getuige 1], p. B 195 en 196]. De getuige [getuige 2] verklaarde dat zij op 28 juni 2008 wakker was geworden en een man om hulp hoorde roepen. Op het moment dat ze vanuit haar slaapkamerraam, dat zicht heeft op de Breehornstraat te Amsterdam, naar buiten keek, zag ze een persoon kruipen. Ze zag dat een andere persoon vanuit de Slootdorpstraat kwam aanrennen. Deze persoon boog zich over de kruipende man en vroeg hem iets. De getuige [getuige 2] meende dat het om geld of sleutels ging. Ze zag dat de man zich vervolgens weer oprichtte en wegrende in de richting van de Slootdorpstraat. Ook de getuige [getuige 2] heeft verklaard dat de dader een lichte broek droeg [ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van bevindingen buurtonderzoek 29 juni 2009, inhoudende de verklaring van [getuige 2], p. 9 en ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van 30 juli 2009, inhoudende de verklaring van [getuige 2], p. B 203 en 204].
De door de getuigen gegeven signalementen omtrent de broek komen overeen met het signalement daarvan dat door de aangever is gegeven. Bovendien komt hetgeen de getuigen verklaren over hetgeen de dader op straat heeft gezegd tegen de aangever, overeen met wat de aangever daar zelf over heeft verklaard: te weten dat er werd gevraagd naar zijn sleutels. De omstandigheid dat zowel de getuige [getuige 1] als de getuige [getuige 2] brildragend zijn doet - naar het oordeel van het hof - niet af aan de geloofwaardigheid van het door hen opgegeven signalement van de dader.
Uit het bovenstaande volgt dat de verklaringen van de aangever worden ondersteund door historische telefoongegevens, de resultaten van vergelijkend DNA-onderzoek en de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 1]. Bovendien hebben de handelingen binnen een korte tijdspanne plaatsgevonden. Uit de verklaring van de aangever volgt dat hij kort na een telefoongesprek te 02.30 uur de verdachte heeft ontmoet op station Sloterdijk. De eerste telefonische melding bij de meldkamer van de regiopolitie was om 04.03 uur. Het is gelet op deze omstandigheden onwaarschijnlijk dat een ander dan de verdachte de verwondingen aan de aangever heeft aangebracht.
Naar het oordeel van het hof volgt dan ook uit de bewijsmiddelen dat de verdachte in de woning is geweest in de bewuste nacht van zondag 28 juni 2009, maar ook dat het de verdachte is geweest die de aangever heeft gestoken en geschopt, zowel in de woning als buiten op straat. Het hof overweegt daarbij dat de gedragingen van de verdachte naar uiterlijke verschijningsvorm wijzen op opzettelijke gedragingen, gericht op doodslag. Het hof wijst in dit verband op de plaatsen waar en de hoeveelheid messteken waarmee de steekwonden zijn aangebracht: 3 messteken in het linkerbeen, 1 messteek in het rechterbeen, 1 messteek in de rug, 1 messteek in de linkerhand en 1 snijwond in het gezicht [ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van 12 augustus 2009, inhoudende de verklaring van [slachtoffer], p. 210, 211, 212 en 213; schriftelijk bescheid, inhoudende een aanvraagformulier medische indicatie van 8 juli 2009, p. B 38; schriftelijk bescheid, inhoudende een aanvullende letselverklaring slachtoffer [slachtoffer] van 28 juli 2009, p. B 206 en 207 en schriftelijk bescheid, inhoudende een aanvraagformulier medische indicatie van 16 december 2009]. Door zoveel messteken toe te brengen, over het gehele lichaam verspreid, heeft de verdachte de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel in het leven geroepen.”