Conclusie
Continental Automaten B.V.
VAN-Speelautomaten Branche-organisatie
1.Feiten en procesverloop
2.Ontvankelijkheid
- Onderdeel 1bevat als zodanig geen voldoende specifieke klacht.
- Onderdeel 2bevat geen voldoende duidelijke en begrijpelijke klacht. Het onderdeel lijkt de juistheid van de bestreden overweging (rov. 3.4) veeleer te bevestigen.
- Onderdeel 3richt zich tegen een oordeel van feitelijke aard (in rov. 3.4). De bestreden feitelijke vaststelling is, ook in het licht van het betoog van dit onderdeel, allerminst onbegrijpelijk.
- Onderdeel 4onderkent onvoldoende dat het oordeel van het hof gegrond is op de conclusie dat VAN voldoende gemotiveerd en met stukken onderbouwd gesteld heeft dat de overgelegde begrotingen conform de statuten en mitsdien rechtsgeldig tot stand zijn gekomen, en op de vaststelling van het hof dat het niet nader gemotiveerde en niet met stukken onderbouwde verweer van Continental daarop afstuit (zie rov. 3.6). Dat oordeel houdt tevens in dat VAN voldoende gesteld heeft en aannemelijk heeft gemaakt dat indien in een van de aan de orde zijnde jaren de contributie-behoefte voor het komende jaar (meer dan) 10% hoger was dan de contributie-behoefte van het lopende jaar, het bestuur van VAN, conform artikel 5 en Pro artikel 19 lid 1 van Pro de statuten, de begroting voor dat komende jaar (vooraf) ter goedkeuring heeft voorgelegd aan elk van de drie secties en aan de algemene ledenvergadering (zie ook rov. 2.2 en 3.3).
- Onderdeel 5klaagt dat het hof (in rov. 3.5) ten onrechte geoordeeld heeft dat de notulen van de ledenvergaderingen niet ondertekend behoefden te worden. Voorts stelt het onderdeel dat de notulen slechts bewijskracht kunnen hebben indien vaststaat: (a) “dat de inhoud daarvan als concept (tijdig) is gepresenteerd” en (b) “dat die notulen uiterlijk op de volgende vergadering (definitief) zijn vastgesteld.” Deze klachten zijn ongegrond. Het oordeel dat de aan de orde zijnde notulen niet ondertekend behoefden te worden, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd (vgl. in dit verband ook het in eerste aanleg gewezen vonnis van 18 mei 2011, rov. 4.6 t/m 4.8). Ook voor de stelling dat de notulen slechts bewijskracht kunnen hebben indien voldaan is aan de onder (a) en (b) genoemde vereisten, bestaat geen grond.
- Onderdeel 7lijkt ten dele voort te bouwen op onderdeel 5. Het falen van dat eerdere onderdeel brengt mee dat ook dit onderdeel in zoverre geen doel kan treffen. Voor zover het onderdeel een zelfstandige klacht inhoudt omtrent het bewijsoordeel ten aanzien van de door de heer Wijsman ter comparitie afgelegde verklaring en de ondertekening van die verklaring, faalt het onderdeel eveneens. Het bestreden oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk (vgl. art. 152 Rv Pro).
- Onderdeel 8bevat een herhaling van stellingen die Continental eerder bij memorie van grieven heeft aangevoerd. Het hof heeft die stellingen gemotiveerd verworpen (zie rov. 3.5). Het middel licht hier niet toe, althans niet op voldoende duidelijke wijze, om welke redenen dat oordeel van het hof tekort zou schieten. Daarmee voldoet het hier derhalve niet aan de vereisten van art. 407 lid 2 Rv Pro.
- Onderdeel 9bouwt slechts voort op de eerdere klachten en faalt om die reden eveneens.