ECLI:NL:PHR:2013:87

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 maart 2013
Publicatiedatum
19 juli 2013
Zaaknummer
12/01144 B
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt beschikking inzake beklag tegen inbeslagname geldbedrag wegens onvoldoende toetsing redelijke verdenking

In deze zaak werd beklag ingediend tegen de inbeslagname van een geldbedrag van €19.850,00 dat op 2 mei 2011 bij klager werd aangetroffen en in beslag genomen. De rechtbank Arnhem verklaarde het beklag ongegrond, stellende dat het beslag niet onrechtmatig was omdat klager was aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij een ramkraak op een casino en zijn auto was doorzocht.

De raadsman van klager voerde aan dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom het beslag niet onrechtmatig was, omdat niet was vastgesteld of er ten tijde van de inbeslagneming een redelijke verdenking bestond. Ook werd geklaagd over het ontbreken van stukken die de verklaring van klager over de herkomst van het geld ondersteunden.

De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank had verzuimd te onderzoeken of ten tijde van het beslag een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit bestond, en dat het oordeel van de rechtbank dat het beslag rechtmatig was, onvoldoende gemotiveerd was. De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking en verwees de zaak naar het gerechtshof Arnhem voor hernieuwde behandeling.

Daarnaast werd het beroep op onvoldoende onderbouwing van de herkomst van het geld door de Hoge Raad als niet onbegrijpelijk beoordeeld, zodat dat middel faalde. De Hoge Raad herhaalde de toepasselijke toetsingskaders en benadrukte dat in een beklagprocedure slechts marginaal wordt getoetst of het beslag onrechtmatig is, waarbij de vraag naar het bewijsgebruik buiten beschouwing blijft.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak naar het gerechtshof Arnhem voor hernieuwde behandeling van het beklag tegen de inbeslagname.

Conclusie

Nr. 12/01144
Zitting: 19 maart 2013
Mr. Vellinga
Conclusie inzake:
[klager]
1. Bij beschikking van 21 december 2011 heeft de Rechtbank te Arnhem het beklag strekkende tot teruggave aan klager van het op 2 mei 2011 onder hem inbeslaggenomen geldbedrag van € 19.850,00 [1] ongegrond verklaard.
2. Namens klager heeft mr. M.K. Rack, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het
eerste middelklaagt dat de Rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het beslag niet onrechtmatig is.
4. De bestreden beschikking houdt te dier zake in:
“De rechtmatigheid van het beslag
Door de raadsman is aangevoerd dat nu uit de stukken niet is gebleken of er een redelijke verdenking was voor de aanhouding van klager en de doorzoeking van zijn auto niet kan worden vastgesteld of er sprake is van een rechtmatige inbeslagname.
In een procedure als de onderhavige toetst de raadkamer slechts marginaal de rechtmatigheid van het beslag en het belang van een rechtens juiste en zorgvuldige strafvordering.
De raadkamer heeft kennis genomen van het "proces-verbaal van bevindingen naar aanleiding van een ingediend klaagschrift". Uit deze stukken blijkt niet wat de reden is geweest voor de aanhouding van klager en de doorzoeking van zijn auto. Op grond van deze stukken kan de raadkamer dan ook niet vaststellen of er sprake was van een redelijke verdenking.
Door zowel de officier van justitie als de raadsman van klager is medegedeeld dat klager is aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij een ramkraak op een casino. In het kader van deze verdenking is zijn auto doorzocht en heeft de fouillering van klager plaatsgevonden. Hierbij is in totaal het bedrag van € 20.481,90 aangetroffen en inbeslaggenomen.
De raadkamer is van oordeel dat deze mededeling van de officier van justitie en de raadsman van klager, in het kader van de marginale toetsing, voldoende is om aan te nemen dat het beslag niet onrechtmatig is.”
5. De bij de behandeling van het klaagschrift in de raadkamer voorgedragen pleitnota van klagers raadsman houdt in:

Aanhouding van cliënt
De aanhouding van cliënt is gebaseerd op een vermoeden van betrokkenheid van een ramkraak op een casino. Het dossier van deze zaak is echter niet in ons bezit. Of deze aanhouding derhalve gegrond is, is bij mij niet bekend. Opmerkelijk is dat in het dossier wordt gesteld dat cliënt op heterdaad is betrapt. Terwijl daarna wordt gesteld dat cliënt niet betrokken blijkt te zijn bij de ramkraak. Hoe kan het dan mogelijk zijn dat cliënt op heterdaad wordt betrapt terwijl hij toch niet betrokken blijkt te zijn. Heterdaad wil namelijk zeggen 'op het moment dat het strafbare feit ontdekt wordt, terwijl het wordt begaan of terstond nadat het is begaan'. Ik ben dus zeer benieuwd waarop wordt gebaseerd dat het een aanhouding op heterdaad betrof. Bovendien is mij niet duidelijk waarom juist cliënt werd verdacht. Voor zowel de aanhouding als de doorzoeking van de auto is namelijk een redelijke verdenking nodig. Werd cliënt verdacht? Of werd de Mercedes gesignaleerd? Waarom was het cliënt of de Mercedes toch niet? Allemaal vragen die nu nog onbeantwoord blijven, maar wel relevant zijn om te kunnen bepalen of de aanhouding en/of doorzoeking rechtmatig zijn en de vruchten die daaruit voortvloeien rechtmatig zijn verkregen. Daarna kan worden besproken of er sprake is van witwassen.”
6. In zijn arrest van 30 oktober 2012, LJN BU8735 overwoog de Hoge Raad:
“Indien in een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv de teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp wordt verzocht met een beroep op feiten en omstandigheden op grond waarvan de beslaglegging zelve onrechtmatig moet worden geacht, zal de rechter moeten onderzoeken of hij de feitelijke grondslag van dat beklag voldoende aannemelijk acht en of die onregelmatigheid bij de beslaglegging tot gegrondverklaring van het klaagschrift dient te leiden. De rechter mag in zo een geval de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de klager leggen.”
7. Hetgeen klagers raadsman heeft aangevoerd komt er op neer dat het beslag bij gebreke van enige aanwijzing dat jegens klager ten tijde van de inbeslagneming een redelijk vermoeden bestond van schuld aan een strafbaar feit, onrechtmatig was.
8. De Rechtbank heeft geoordeeld dat het beslag rechtmatig gelegd is omdat zowel de officier van justitie als de raadsman hebben gesteld dat klager is aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij een ramkraak op een casino, dat in het kader van deze verdenking zijn auto is doorzocht en de fouillering van klager heeft plaatsgevonden, en dat daarbij een geldbedrag van € 20.481,90 is aangetroffen en in beslag genomen.
9. Dusdoende heeft de Rechtbank verzuimd na te gaan of ten tijde van de inbeslagneming jegens klager een redelijk vermoeden van schuld bestond aan enig strafbaar feit. De Rechtbank volstaat immers met de constatering dat het beslag is gelegd omdat klager werd verdacht van betrokkenheid bij een ramkraak, maar onderzoekt niet of die verdenking op enige grond berustte.
10. Het middel slaagt.
11. Het
tweede middelhoudt in dat de Rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd dat niet aannemelijk is dat klager, die geen andere inkomsten heeft, thans nog over deze bedragen beschikt.
12. De bij de behandeling van het klaagschrift in raadkamer voorgedragen pleitnota van klagers raadsman houdt in:
“In deze zaak, waarin het Openbaar Ministerie onder andere oude verklaringen van cliënt inbrengt om feiten en omstandigheden aan te tonen, kan niet worden gesteld dat het niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Het enige dat door het Openbaar Ministerie wordt gesteld is dat cliënt geen baan heeft en een uitkering geniet en dat uit een kasopstelling blijkt dat hij meer uitgaven zou hebben dan inkomsten. Met alle respect, maar dat zegt natuurlijk niets.
Cliënt heeft een verklaring afgelegd waar het aangetroffen geldbedrag van afkomstig is. Cliënt heeft bewijs overlegt dat hij op 29 maart 2007 een betaling heeft ontvangen van het advocatenkantoor [A] van € 2.205,- (bijlage 1). Daarnaast heeft cliënt op 18 februari 2008 een betaling ontvangen van het advocatenkantoor [A] van € 8.885,- (bijlage 2). Ook verklaart cliënt € 1.500,- te hebben gekregen van zijn zus [betrokkene 1] (bijlage 3) en € 1.500,- te hebben gewonnen in 2010 met een kickbokswedstrijd. Tot slot heeft cliënt een jaar geleden €10.000,- gewonnen in het casino in Nijmegen.
De verklaring van cliënt is concreet, verifieerbaar en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken. Daarnaast is het ontvangen en uitgeven van geld een proces. De ene keer heeft men ook meer geld en de andere keer weer minder geld. Dat men geld heeft hoeft men ook niet aan de grote klok te hangen. Duidelijk is dat cliënt op verschillende momenten grote sommen met geld voorhanden had en nu gaat het er ook om wat daartussen is gebeurd.
Daarom heeft het Openbaar Ministerie een kasopstelling gemaakt betreffende de periode 2007 tot 2011. De uitgaven die hier worden opgegeven zijn deels geschat (kosten levensonderhoud, brandstof etc). Het negatieve saldo dat hieruit is gekomen is derhalve ook geschat.
Cliënt heeft reeds verklaard een lange periode bij zijn zus te hebben gewoond en momenteel bij zijn moeder woonachtig te zijn. De kosten voor levensonderhoud worden derhalve door zijn zus, vriendinnen en moeder betaald.
Ook heeft cliënt bij de politie verklaart veel schulden te hebben doordat hij veel lasten niet kan of wil betalen. Zijn schulden zijn daarom zo hoog geworden in de afgelopen jaren dat hij met het geld dat hij krijgt niet zijn schulden betaalt. En zo blijven de schulden zich maar oplopen.
Hierdoor is er ook beslag gelegd op de rekening van cliënt. Dat is ook de reden waarom cliënt al zijn geld dat hij ontvangt niet op een rekening kan en wil ontvangen, maar contant bewaard.
Cliënt komt daarnaast rond van de gelden die hij her en der ontvangt. Dat is van vrienden, van vriendinnen waar hij een relatie mee heeft gehad en van familie.
Tijdens het onderzoek is gebleken dat de huur aan de parkstraat te Arnhem (waar cliënt tot 1 jaar terug een kamer huurde) werd betaald via de rekening van [betrokkene 2]. Dit is een vriend van cliënt. Cliënt heeft hiervoor een verklaring afgelegd. Zoals net aangegeven omdat hij zelf geen rekening kon openen.
Cliënt betaalde netjes iedere maand de huur aan zijn vriend zodat hij het over kan maken. Ook zijn vriend heeft hier overigens een verklaring over afgelegd (bijlage 4). Het geld voor de huur kreeg cliënt voornamelijk van zijn zus, soms van één van zijn vriendinnen en van zijn moeder (bijlage 5).”
13. De Rechtbank heeft te dier zake overwogen:
“De raadkamer acht voorts, bij gebrek aan nadere onderbouwing met stukken, de enkele verklaring van klager over de herkomst van het geld onvoldoende om aannemelijk te maken dat klager genoemde geldbedragen daadwerkelijk legaal heeft vergaard.”
14. In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat de Rechtbank ten onrechte in haar beslissing niet heeft meegenomen dat klager, aantoonbaar, woonachtig was samen met zijn zus, en woonachtig bij zijn moeder en door hen onderhouden werd.
15. Aldus wordt er aan voorbijgegaan dat de kern van de overweging van de Rechtbank hierin bestaat dat hetgeen namens klager naar voren is gebracht niet wordt onderbouwd met stukken.
16. Voorts is het oordeel van de Rechtbank dat de enkele verklaring van klager over de herkomst van het geld onvoldoende is om aannemelijk te maken dat klager de inbeslaggenomen geldbedragen daadwerkelijk legaal heeft vergaard, niet onbegrijpelijk en behoeft dit oordeel, gezien het ontbreken van stukken die het relaas van klager en zijn raadsman ondersteunen, geen nadere motivering.
17. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop de bestreden beschikking zou dienen te worden vernietigd.
19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Arnhem teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Opmerking verdient dat de Rechtbank uitgaat van het totaalbedrag van €20.481,90 (€ 19.850 aangetroffen in de auto en € 641,90 aangetroffen bij klager). Voor de beoordeling van de middelen is dit niet van belang.