6. In zijn arrest van 30 oktober 2012, LJN BU8735 overwoog de Hoge Raad:
“Indien in een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv de teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp wordt verzocht met een beroep op feiten en omstandigheden op grond waarvan de beslaglegging zelve onrechtmatig moet worden geacht, zal de rechter moeten onderzoeken of hij de feitelijke grondslag van dat beklag voldoende aannemelijk acht en of die onregelmatigheid bij de beslaglegging tot gegrondverklaring van het klaagschrift dient te leiden. De rechter mag in zo een geval de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de klager leggen.”
7. Hetgeen klagers raadsman heeft aangevoerd komt er op neer dat het beslag bij gebreke van enige aanwijzing dat jegens klager ten tijde van de inbeslagneming een redelijk vermoeden bestond van schuld aan een strafbaar feit, onrechtmatig was.
8. De Rechtbank heeft geoordeeld dat het beslag rechtmatig gelegd is omdat zowel de officier van justitie als de raadsman hebben gesteld dat klager is aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij een ramkraak op een casino, dat in het kader van deze verdenking zijn auto is doorzocht en de fouillering van klager heeft plaatsgevonden, en dat daarbij een geldbedrag van € 20.481,90 is aangetroffen en in beslag genomen.
9. Dusdoende heeft de Rechtbank verzuimd na te gaan of ten tijde van de inbeslagneming jegens klager een redelijk vermoeden van schuld bestond aan enig strafbaar feit. De Rechtbank volstaat immers met de constatering dat het beslag is gelegd omdat klager werd verdacht van betrokkenheid bij een ramkraak, maar onderzoekt niet of die verdenking op enige grond berustte.
10. Het middel slaagt.
11. Het
tweede middelhoudt in dat de Rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd dat niet aannemelijk is dat klager, die geen andere inkomsten heeft, thans nog over deze bedragen beschikt.
12. De bij de behandeling van het klaagschrift in raadkamer voorgedragen pleitnota van klagers raadsman houdt in:
“In deze zaak, waarin het Openbaar Ministerie onder andere oude verklaringen van cliënt inbrengt om feiten en omstandigheden aan te tonen, kan niet worden gesteld dat het niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Het enige dat door het Openbaar Ministerie wordt gesteld is dat cliënt geen baan heeft en een uitkering geniet en dat uit een kasopstelling blijkt dat hij meer uitgaven zou hebben dan inkomsten. Met alle respect, maar dat zegt natuurlijk niets.
Cliënt heeft een verklaring afgelegd waar het aangetroffen geldbedrag van afkomstig is. Cliënt heeft bewijs overlegt dat hij op 29 maart 2007 een betaling heeft ontvangen van het advocatenkantoor [A] van € 2.205,- (bijlage 1). Daarnaast heeft cliënt op 18 februari 2008 een betaling ontvangen van het advocatenkantoor [A] van € 8.885,- (bijlage 2). Ook verklaart cliënt € 1.500,- te hebben gekregen van zijn zus [betrokkene 1] (bijlage 3) en € 1.500,- te hebben gewonnen in 2010 met een kickbokswedstrijd. Tot slot heeft cliënt een jaar geleden €10.000,- gewonnen in het casino in Nijmegen.
De verklaring van cliënt is concreet, verifieerbaar en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken. Daarnaast is het ontvangen en uitgeven van geld een proces. De ene keer heeft men ook meer geld en de andere keer weer minder geld. Dat men geld heeft hoeft men ook niet aan de grote klok te hangen. Duidelijk is dat cliënt op verschillende momenten grote sommen met geld voorhanden had en nu gaat het er ook om wat daartussen is gebeurd.
Daarom heeft het Openbaar Ministerie een kasopstelling gemaakt betreffende de periode 2007 tot 2011. De uitgaven die hier worden opgegeven zijn deels geschat (kosten levensonderhoud, brandstof etc). Het negatieve saldo dat hieruit is gekomen is derhalve ook geschat.
Cliënt heeft reeds verklaard een lange periode bij zijn zus te hebben gewoond en momenteel bij zijn moeder woonachtig te zijn. De kosten voor levensonderhoud worden derhalve door zijn zus, vriendinnen en moeder betaald.
Ook heeft cliënt bij de politie verklaart veel schulden te hebben doordat hij veel lasten niet kan of wil betalen. Zijn schulden zijn daarom zo hoog geworden in de afgelopen jaren dat hij met het geld dat hij krijgt niet zijn schulden betaalt. En zo blijven de schulden zich maar oplopen.
Hierdoor is er ook beslag gelegd op de rekening van cliënt. Dat is ook de reden waarom cliënt al zijn geld dat hij ontvangt niet op een rekening kan en wil ontvangen, maar contant bewaard.
Cliënt komt daarnaast rond van de gelden die hij her en der ontvangt. Dat is van vrienden, van vriendinnen waar hij een relatie mee heeft gehad en van familie.
Tijdens het onderzoek is gebleken dat de huur aan de parkstraat te Arnhem (waar cliënt tot 1 jaar terug een kamer huurde) werd betaald via de rekening van [betrokkene 2]. Dit is een vriend van cliënt. Cliënt heeft hiervoor een verklaring afgelegd. Zoals net aangegeven omdat hij zelf geen rekening kon openen.
Cliënt betaalde netjes iedere maand de huur aan zijn vriend zodat hij het over kan maken. Ook zijn vriend heeft hier overigens een verklaring over afgelegd (bijlage 4). Het geld voor de huur kreeg cliënt voornamelijk van zijn zus, soms van één van zijn vriendinnen en van zijn moeder (bijlage 5).”
13. De Rechtbank heeft te dier zake overwogen:
“De raadkamer acht voorts, bij gebrek aan nadere onderbouwing met stukken, de enkele verklaring van klager over de herkomst van het geld onvoldoende om aannemelijk te maken dat klager genoemde geldbedragen daadwerkelijk legaal heeft vergaard.”