ECLI:NL:PHR:2013:88

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 mei 2013
Publicatiedatum
19 juli 2013
Zaaknummer
12/01621
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 450 SvArt. 279 SvArt. 440 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens verzuim in volmacht onterecht

Het Gerechtshof Arnhem verklaarde verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep wegens een onvolledige schriftelijke volmacht van de advocaat, die niet voldeed aan de eisen van artikel 450, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De advocaat-generaal stelde dat de brief niet vermeldde dat de raadsman bepaaldelijk was gemachtigd en dat de verdachte instemde met ontvangst van de oproeping door de griffiemedewerker.

De Hoge Raad overwoog dat hoewel de volmacht niet aan alle formele eisen voldeed, het hof onvoldoende had onderzocht of de gemachtigde raadsman ter terechtzitting uitdrukkelijk had verklaard dat het hoger beroep overeenkwam met de wens van verdachte. Deze expliciete bevestiging is vereist om een gebrek in de volmacht te dekken.

Omdat het hof deze noodzakelijke vraag niet had gesteld, was de niet-ontvankelijkverklaring onterecht. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug voor een passende beslissing. Hiermee werd bevestigd dat een onvolkomen volmacht niet automatisch leidt tot niet-ontvankelijkheid indien ter zitting een gemachtigde raadsman verschijnt die verklaart dat het hoger beroep in overeenstemming is met de wens van verdachte.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug wegens onterecht niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep.

Conclusie

Nr. 12/01621
Zitting: 14 mei 2013
Mr. Knigge
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 20 maart 2012 verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.
4.
Het middel
4.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof, gelet op HR 20 maart 2012 (LJN BV6999, NJ 2012/426), verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“De verdachte genaamd:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
wonende te [woonplaats],
is niet verschenen.
Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. W. van Vliet, advocaat te Amsterdam, die verklaart uitdrukkelijk door verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren. De raadsman merkt desgevraagd op – zakelijk weergegeven -:
Mijn cliënt is op de hoogte van de zitting. Hij is vandaag niet aanwezig, omdat hij sinds kort als oproepkracht in de thuiszorg werkt en hij voor vandaag is opgeroepen.
De voorzitter deelt mede dat zij eerst de vraag aan de orde wil stellen of de brief van de raadsman van 28 juni 2011 voldoet aan de eisen die in artikel 450, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering aan een schriftelijke bijzondere volmacht worden gesteld.
De raadsman merkt op – zakelijk weergegeven -:
Het is een spijtig moment. Ik refereer me aan het oordeel van het hof.
De advocaat-generaal merkt op – zakelijk weergegeven-:
Mijns inziens is niet voldaan aan de eisen die worden gesteld in art. 450, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. In de brief is niet vermeld dat de raadsman door de verdachte bepaaldelijk is gemachtigd, noch dat de verdachte instemt met het door de griffiemedewerker in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep. Evenmin is in de brief het adres voor toezending van het afschrift van de appeldagvaarding vermeld. Ik vorder dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep.”
4.3. Het bestreden arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De brief van de raadsman van 28 juni 2011 voldoet niet aan de eisen die in artikel 450, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering aan een schriftelijke bijzondere volmacht worden gesteld. De verdachte dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep.”
4.4. Ingevolge art. 450 Sv Pro dient een schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om hoger beroep in te stellen het volgende in te houden:
(i) de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van het hoger beroep (lid 1);
(ii) de verklaring van de advocaat dat de verdachte instemt met het door de medewerker ter griffie aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep (lid 3);
(iii) het adres dat door de verdachte is opgegeven voor de toezending van het afschrift van de appeldagvaarding (lid 3).
4.5. Bij de stukken van het geding bevindt zich de brief van 28 juni 2011 die de raadsman van verdachte aan de griffie van de Rechtbank Utrecht heeft gestuurd. Deze brief houdt het volgende in:
“Geachte heer/mevrouw,
Langs deze wens ik, mr. W. van Vliet, advocaat te Amsterdam, kantoorhoudende te Amsterdam aan de Roelof Hartstraat 31 (Plasman Advocaten c.s.), hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 28 juni 2011 van de politierechter in de rechtbank Utrecht.
Het betreft verdachte:
[verdachte]
geboren op[geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats]
thans uit andere hoofde gedetineerd in Huis van Bewaring De Weg te Amsterdam
parketnummer: 16-121051-10
Ten slotte zou ik u willen verzoeken of u mij de akte rechtsmiddel zou willen doen toekomen.”
4.6. Door het Hof wordt overwogen dat de brief van 28 juni 2011 niet voldoet aan de vereisten gesteld in het derde lid van art. 450 Sv Pro. Gelet op de hiervoor weergegeven inhoud, voldoet de brief echter evenmin aan de in het eerste lid gestelde eis dat de volmacht moet inhouden de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van het beroep. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting ging de advocaat-generaal ervan uit dat dit vereiste eveneens in het derde lid van art. 450 Sv Pro wordt genoemd. Wellicht is het Hof de advocaat-generaal in deze – onjuiste – aanname gevolgd.
4.7. Voor zover de volmacht niet aan de in het derde lid van art. 450 Sv Pro genoemde eisen voldoet, geldt het volgende. De Hoge Raad heeft bepaald dat voor zover in de schriftelijke volmacht niet voldaan is aan voornoemde eisen, er onvoldoende grond is voor niet-ontvankelijkverklaring van het appel indien ter terechtzitting een gemachtigd raadsman van verdachte is verschenen. [1] Nu daarvan in de onderhavige zaak sprake is, bestaat er onvoldoende grond voor niet-ontvankelijkverklaring van het appel wegens het niet voldoen aan de in art. 450 lid 3 Sv Pro gestelde eisen.
4.8. Voor zover het Hof tevens tot uitdrukking heeft willen brengen dat in de brief van 28 juni 2011 de mededeling ontbreekt dat de raadsman tot het instellen van het hoger beroep bepaaldelijk is gevolmachtigd, geldt het volgende. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 20 maart 2012 (LJN BV6999, NJ 2012/426 m. nt. F.W. Bleichrodt) overwogen dat er onvoldoende grond bestaat voor niet-ontvankelijkverklaring van het appel wegens voornoemd verzuim in de schriftelijke volmacht waarmee een advocaat een griffiemedewerker machtigt om namens verdachte hoger beroep in te stellen, indien ter terechtzitting in hoger beroep wel de verdachte of een door hem op de voet van art. 279 Sv Pro gemachtigde raadsman is verschenen en deze aldaar – zo nodig daarnaar uitdrukkelijk gevraagd – heeft verklaard dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van de verdachte ten grondslag lag om (op rechtsgeldige wijze) hoger beroep te doen instellen. Het verzuim in de volmacht wordt in een dergelijk geval voor gedekt gehouden. [2]
4.9. Anders dan in de zaken waarin de Hoge Raad tot op heden oordeelde dat het ontbreken in de volmacht van de vermelding dat de raadsman tot het instellen van het beroep bepaaldelijk is gevolmachtigd, was gedekt door de ter terechtzitting afgelegde verklaring van de raadsman en/of verdachte, is in de onderhavige zaak ter terechtzitting niet expliciet aangevoerd dat aan de onvolkomen volmacht de wens van verdachte ten grondslag lag om op rechtsgeldige wijze hoger beroep te doen instellen. De raadsman heeft wel ter terechtzitting verklaard dat hij door verdachte uitdrukkelijk gemachtigd was om de verdediging te voeren, dat verdachte op de hoogte was van de zitting, maar dat hij verhinderd was om aldaar aanwezig te zijn. In reactie op de mededeling van de voorzitter dat de brief van de raadsman niet voldoet aan de eisen die in art. 450 lid 3 Sv Pro worden gesteld, merkt de raadsman op dat het een spijtig moment is. Gelet daarop is niet zonder meer begrijpelijk dat het Hof de verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het ingestelde hoger beroep. Het Hof diende het gebrek in de volmacht immers voor gedekt te houden indien de gemachtigde raadsman “zo nodig daarnaar uitdrukkelijk gevraagd” verklaart dat het instellen van het beroep overeenkomstig de wens van de verdachte is. Nu die uitdrukkelijke bevraging – die gezien de reactie van de raadsman zeker “nodig” was – achterwege is gebleven, had het Hof niet tot de niet-ontvankelijkverklaring mogen besluiten.
5. Het middel slaagt.
6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv Pro gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

1.HR 22 januari 2013, LJN BY8357, NJ 2013/75.
2.Zie tevens HR 29 januari 2013, LJN BY8997. Vgl. HR 19 maart 2013, LJN BZ4492.