Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
side-letteris hieraan toegevoegd dat deze verdeling pas wordt toegepast na aftrek van een bedrag van € 500.000,- wegens de op voorhand geschatte kosten voor het met de hulp van derden “binnenhalen” van de erfenis.
Bespreking van de cassatiemiddelen
side letterpas zou plaatsvinden na aftrek van een eerste toedeling uit de erfenis aan [eiser] van € 500.000,- wegens op voorhand op dat bedrag geschatte kosten. Het hof vermeldt in dit verband dat de geldlening, volgens de onbestreden stelling van Edange, nu juist werd aangegaan met het doel [eiser] financieel in staat te stellen de erfeniskwestie tot een oplossing te brengen.
unfair terms in consumer contracts) hierin verandering brengt [3] . Die uitspraak brengt mee dat de appelrechter gehouden is, ambtshalve na te gaan of een beding uit het oogpunt van de in Richtlijn 93/13 gegeven criteria oneerlijk is, ook indien hij daarbij buiten het door de grieven ontsloten gebied moet treden. Daarbij dient hij de grenzen van de rechtsstrijd van partijen te respecteren. Hij is dus niet tot dit onderzoek gehouden als tegen de toe- of afwijzing van de desbetreffende vordering in hoger beroep niet is opgekomen en hij derhalve als appelrechter niet bevoegd is om over die vordering een beslissing te geven. Aan deze voorwaarde is voldaan: de toewijsbaarheid van de verklaring voor recht m.b.t. de provisie was in hoger beroep ter beslissing aan het hof voorgelegd. Indien de rechter vaststelt dat een beding oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13, is hij gehouden het beding te vernietigen. Indien de rechter over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt om te vermoeden dat een overeenkomst onder het bereik van Richtlijn 93/13 valt en een beding bevat dat oneerlijk is in de hiervoor genoemde zin, dient hij daarnaar onderzoek te doen, ook indien daarop gerichte stellingen niet aan de vordering of het verweer ten grondslag zijn gelegd. Staan de relevante feiten niet alle vast, dan zal de rechter de instructiemaatregelen moeten nemen die in dit verband nodig zijn om de volle werking van de Richtlijn 93/13 te verzekeren, wat betreft zowel de toepasselijkheid van die richtlijn, als de mogelijke oneerlijkheid van het beding. Daarbij dient de rechter het beginsel van hoor en wederhoor in acht te nemen. In een cassatieprocedure kan met succes worden geklaagd dat de feitenrechter het hiervoor bedoelde onderzoek achterwege heeft gelaten indien onbegrijpelijk is dat de in de procedure gebleken gegevens hem geen aanleiding hebben gegeven tot het hiervoor bedoelde vermoeden.
consumer” in de zin van art. 2 van Pro de Richtlijn, rijst de vraag of Edange een “
seller or supplier” in de zin van dat artikel is, met andere woorden: “
any natural or legal person who, in contracts covered by this Directive, is acting for purposes relating to his trade, business or profession, whether publicly owned or privately owned”. Dit vergt een onderzoek naar de feiten [4] . Veronderstellenderwijs aannemend dat ook die stap genomen zal kunnen worden, komen we bij artikel 3:
side letter, moet worden beschouwd als een beding waarover niet afzonderlijk is onderhandeld (‘
a contractual term which has not been individually negotiated”) [6] . Ook overigens is niet onbegrijpelijk dat en waarom het hof het omstreden beding niet heeft opgevat als een ‘oneerlijk’ beding in de zin van deze richtlijn: het hof is in rov. 3 en rov. 7 ingegaan op hetgeen partijen heeft bewogen deze overeenkomst met dit provisiebeding af te sluiten [7] .
hetappartement in Thailand’, brengt een taalkundige uitleg van deze bepaling met zich dat daarmee het samengevoegde appartement is bedoeld.”, aldus rov. 9. Het hof heeft zich echter niet beperkt tot dit taalkundige argument. Het hof overweegt dat, indien slechts één van de twee samengevoegde appartementen was bedoeld, het voor de hand zou hebben gelegen dat partijen het nummer daarvan in de overeenkomst zouden hebben opgenomen of het appartement anderszins zouden hebben gepreciseerd. Verder is het hof ingegaan op de vraag of Edange ‘redelijkerwijs had moeten begrijpen’ dat met de in de overeenkomst opgenomen passage slechts een onverdeelde helft (van het huidige appartement) was bedoeld, zoals [eiser] had aangevoerd. Ten slotte heeft het hof in rov. 9 nog bijkomende overwegingen opgenomen met betrekking tot de wijze waarop de in de overeenkomst vermelde waarde van het appartement is bepaald. Tegen de achtergrond hiervan faalt de klacht over de methode van uitleg van de overeenkomst.