Conclusie
[verdachte]
Overweging met betrekking tot het bewijs
Parket bij de Hoge Raad
Op 14 mei 2009 heeft verdachte met een vrachtwagen drukhouders met propaan en/of butaan vervoerd over de snelweg A12 te Woerden zonder dat op zeven van de zevenentwintig kunststof drukhouders een gevaaretiket was aangebracht, in strijd met de etiketteringsvoorschriften van het ADR. Het hof heeft geoordeeld dat iedere afzonderlijke gevulde of niet geheel lege drukhouder voorzien moet zijn van een gevaaretiket, ook als meerdere houders met dezelfde stof in een kooi worden vervoerd.
De verdediging stelde dat de drukhouders leeg waren omdat zij retour kwamen van een klant om opnieuw te worden gevuld en dat etikettering van slechts enkele houders voldoende was. Het hof verwierp dit, stellende dat het belang van duidelijke etikettering is dat tijdens vervoer snel en eenvoudig kan worden vastgesteld welke gevaarlijke stoffen worden vervoerd en dat het feit dat de houders gedeeltelijk gevuld waren, het bewijs is dat zij niet leeg waren.
Het hof baseerde zich op het proces-verbaal van een verbalisant die ter plaatse constateerde dat de houders gedeeltelijk gevuld waren met propaan/butaan en dat geen etiketten aanwezig waren op zeven houders. De Hoge Raad concludeert dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd en de middelen van cassatie falen, waardoor het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens het niet etiketteren van drukhouders met propaan blijft in stand.