Conclusie
eerste middelkomt op tegen de motivering van de verwerping van het verweer van de verdediging strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie.
tweede en het vierde middelfalen bij gebrek aan feitelijke grondslag. Anders dan de steller van het middel kennelijk voor ogen staat, zijn de in de middelen bedoelde verweren in de onderhavige zaak niet gevoerd.
derde middelkomt op tegen de door het Hof in de nadere bewijsoverweging met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde gebezigde zin “Het hof acht het niet aannemelijk dat transporten van dergelijke hoeveelheden softdrugs kunnen plaatsvinden zonder een zekere bestendigheid van het samenwerkingsverband tussen de deelnemers, of zonder een nauwe afstemming van de activiteiten tussen hen”. Volgens de steller van het middel heeft het Hof met het bezigen van deze zin voor het bewijs in wezen gebruik gemaakt van een feit van algemene bekendheid, terwijl van een dergelijk feit geen sprake is, nu zulks niet als algemene ervaringsregel kan worden aangemerkt, noch een gegeven is dat iedereen bekend behoort te zijn, dan wel zeer gemakkelijk uit algemene bronnen valt te achterhalen, terwijl voorts bedoelde omstandigheid niet ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde is gesteld.
vijfde middelklaagt dat het Hof heeft verzuimd toepassing te geven aan art. 56 Sr Pro. Welke van de bewezenverklaarde feiten als voortgezette handeling dienen te gelden wordt mij op basis van de schriftuur echter niet duidelijk. Volgens de steller van het middel dient het sub 3 bewezenverklaarde te worden aangemerkt als voortgezette handeling. Kennelijk heeft de steller van het middel hierbij het oog op sub 3 van het onder 1 bewezenverklaarde, nu het middel vervolgt met de stelling dat het onder 2 en 3 bewezenverklaarde soortgelijke feiten betreffen. Maar wat sub 3 van het onder 1 bewezenverklaarde feit zou moeten zijn, blijft onduidelijk. Indien de steller van het middel bedoeld heeft aan te voeren dat het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde heeft te gelden als een voortgezette handeling, geldt het volgende.
zesde middelfaalt, nu in de beslissing van het Hof “dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht” als besloten liggende moet worden geacht dat bedoelde tijd in geheel in mindering zal worden gebracht.