Conclusie
eerste middelkomt op tegen de motivering van de verwerping van het verweer van de verdediging strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie op de eerste grond.
tweede middel, dat opkomt tegen de motivering van de verwerping van de tweede grond, faalt. Het betreden arrest houdt met betrekking tot bedoelde tweede grond, het volgende in:
kanhet hof, indien geen schriftuur houdende grieven als bedoeld in artikel 410, eerste lid, Wetboek van Strafvordering is ingediend, de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep. Het hof heeft daaromtrent het volgende overwogen. Hoewel een verwijzing naar het requisitoir van eerste aanleg niet kan worden aangemerkt als een schriftuur houdende grieven, zijn de standpunten van het openbaar ministerie die in het requisitoir zijn verwoord vanaf het instellen van het hoger beroep kenbaar bij de verdediging. Voorts heeft de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep - in tegenstelling tot het oordeel van de rechtbank - gerequireerd tot een bewezenverklaring voor elk van de feiten op de tenlastelegging. Het belang van een inhoudelijke behandeling van de zaak ten aanzien van het onder 1 en 4 tenlastegelegde, is naar het oordeel van het hof van aanzienlijk maatschappelijk belang, gelet op de inhoud van het verwijt dat de verdachte wordt gemaakt. Het deelnemen aan een criminele organisatie die het oogmerk heeft om drugs binnen het grondgebied te brengen is een ernstige gedraging waartegen de maatschappij dient te worden beschermd, mede gelet op de schade die drugs toebrengen aan de volksgezondheid. Tevens brengt de handel in drugs veelal verschillende vormen van criminaliteit met zich mee. Het maatschappelijk belang om de feiten inhoudelijk te behandelen staat naar het oordeel van het hof in de weg aan het sanctioneren van het verzuim door het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren van het hoger beroep. Het verweer wordt verworpen.”
derde middelkomt op tegen de door het Hof in de nadere bewijsoverweging met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde gebezigde zin “Het hof acht het niet aannemelijk dat transporten van dergelijke hoeveelheden softdrugs kunnen plaatsvinden zonder een zekere bestendigheid van het samenwerkingsverband tussen de deelnemers, of zonder een nauwe afstemming van de activiteiten tussen hen”. Volgens de steller van het middel heeft het Hof met het bezigen van deze zin voor het bewijs in wezen gebruik gemaakt van een feit van algemene bekendheid, terwijl van een dergelijk feit geen sprake is, nu zulks niet als algemene ervaringsregel kan worden aangemerkt, noch een gegeven is dat iedereen bekend behoort te zijn, dan wel zeer gemakkelijk uit algemene bronnen valt te achterhalen, terwijl voorts bedoelde omstandigheid niet ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde is gesteld.
vierde middelkomt op tegen de verwerping door het Hof van het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van alle verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2].
Salduz
vijfde middelklaagt dat het Hof heeft verzuimd toepassing te geven aan art. 56 Sr Pro. Welke van de bewezenverklaarde feiten als voortgezette handeling dienen te gelden wordt mij op basis van de schriftuur echter niet duidelijk. Volgens de steller van het middel dient het sub 3 bewezenverklaarde te worden aangemerkt als voortgezette handeling. Kennelijk heeft de steller van het middel hierbij het oog op sub 3 van het onder 1 bewezenverklaarde, nu het middel vervolgt met de stelling dat het onder 2 en 3 bewezenverklaarde soortgelijke feiten betreffen. Maar wat sub 3 van het onder 1 bewezenverklaarde feit zou moeten zijn, blijft onduidelijk. Indien de steller van het middel bedoeld heeft aan te voeren dat het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde heeft te gelden als een voortgezette handeling, geldt het volgende.
zesde middelfaalt, nu in de beslissing van het Hof “dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht” als besloten liggende moet worden geacht dat bedoelde tijd in geheel in mindering zal worden gebracht.