ECLI:NL:PHR:2013:892
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot toelating wettelijke schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende controle alcoholverslaving
Verzoeker tot cassatie heeft bij de rechtbank Rotterdam verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank wees dit verzoek af omdat niet aannemelijk was dat de schulden in de vijf jaren voorafgaand aan het verzoek te goeder trouw waren ontstaan of onbetaald gelaten, en omdat de alcoholverslaving van verzoeker niet voldoende lang onder controle was.
Verzoeker ging in hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag, dat het vonnis van de rechtbank bevestigde. Het hof oordeelde dat de goede trouw van verzoeker ten aanzien van het ontstaan en voortbestaan van de schulden niet was aangetoond en zag onvoldoende aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule. Tevens vond het hof dat niet voldoende aannemelijk was dat verzoeker zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling zou nakomen.
Verzoeker kwam vervolgens in cassatie, maar het cassatieberoep werd niet ontvankelijk verklaard omdat een van de door het hof gehanteerde gronden niet werd bestreden en daarmee het arrest in stand bleef. De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad was dan ook dat het cassatieberoep niet ontvankelijk moest worden verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet ontvankelijk verklaard en het arrest van het hof blijft in stand.