ECLI:NL:PHR:2013:900

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 september 2013
Publicatiedatum
8 oktober 2013
Zaaknummer
13/00952
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens voldoende gemotiveerde voorbedachte raad

In deze zaak heeft de advocaat van de verdachte een middel van cassatie voorgesteld tegen de bewezenverklaarde voorbedachte raad. Het hof had vastgesteld dat de verdachte met het voornemen om het slachtoffer te doden op pad ging, gewapend met een groot mes verborgen in een dikke jas. Na een eerste steek in de rug van het slachtoffer ontstond een worsteling waarbij het slachtoffer smeekte om genade, waarna de verdachte doorging met steken totdat het slachtoffer met circa 34 steekwonden werd aangetroffen.

Het hof concludeerde dat de verdachte gedurende enige tijd de gelegenheid had zich te beraden en niet in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling handelde. Dit oordeel werd als toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk beoordeeld door de Hoge Raad, die ook oordeelde dat de verklaring van de verdachte voldoende werd ondersteund door andere onderzoeksbevindingen.

Op grond van artikel 80a van het Wetboek van Strafvordering werd het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het middel evident tevergeefs was voorgesteld. De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad strekte tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens voldoende gemotiveerde bewezenverklaring van voorbedachte raad.

Conclusie

Nr. 13/00952
Mr. Harteveld
Zitting 17 september 2013
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, heeft in deze zaak bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel komt op tegen de bewezenverklaarde voorbedachte raad. Anders dan het middel wil, heeft het Hof evenwel toereikend gemotiveerd waarom het van oordeel is dat hier sprake is geweest van voorbedachte raad. Niet alleen heeft het Hof daartoe vastgesteld dat verdachte reeds met het voornemen om (onder meer) het slachtoffer [het slachtoffer] te doden met een groot mes op pad is gegaan, in een dikke jas zodat hij het mes daarin kon stoppen. Ook heeft het Hof feitelijk vastgesteld dat na de door verdachte toegebrachte eerste, zonder enige aanleiding aangebrachte steek in de rug van het slachtoffer een worsteling is ontstaan waarbij [het slachtoffer] verdachtes hand waarin hij het mes vast hield heeft gepakt en dat [het slachtoffer] daarbij verdachte heeft gesmeekt hem nog een kans te geven. [het slachtoffer] zei daarbij: "Je gaat me vermoorden". Dat gaf de verdachte naar eigen zeggen een rotgevoel. De verdachte heeft zich vervolgens losgerukt en is doorgegaan met steken totdat [het slachtoffer] - aangetroffen met circa 34 steekwonden - overleed. Aldus heeft het Hof toereikend gemotiveerd dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Dat bewijsoordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is geenszins onbegrijpelijk (vgl. HR 28 februari 2012, LJN BR2342, NJ 2012/518).
Voor zover voorts wordt geklaagd dat de betwiste voorbedachte raad alleen is gebaseerd op verdachtes eigen verklaring, geldt dat het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de door verdachte afgelegde verklaringen in voldoende mate worden ondersteund door verschillende andere onderzoeksbevindingen, zoals door het Hof op de pagina’s 4-5 van de bestreden uitspraak uiteengezet. Het middel is ook in zoverre evident tevergeefs voorgesteld, zodat verdachte mijns inziens op grond van artikel 80A niet in het cassatieberoep kan worden ontvangen.
3. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG