Conclusie
van het plegen van witwassen een gewoonte maken” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. Voorts bevat het arrest enige bijkomende beslissingen.
eerste middelklaagt dat het hof het oordeel dat het onder 4 bewezenverklaarde “gewoontewitwassen” oplevert ontoereikend heeft gemotiveerd.
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen". Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.
dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte handelingen heeft verricht die erop waren gericht om zijn criminele opbrengst veilig te stellen; hetgeen hem (kennelijk) ook is gelukt. Daarbij kan in het midden blijven welke handelingen dat specifiek geweest zijn.”
nietin cassatie aan een begrijpelijkheidstoets onderworpen. De klacht luidt slechts dat het hof met deze overwegingen niet heeft voldaan aan de motiveringseisen die Uw Raad sedert 26 oktober 2010 aanlegt voor het kwalificeren van dergelijke gedragingen als ‘witwassen’, zulks door het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. De Hoge Raad eist in zo’n geval het bestaan van een gedraging die
meeromvat dan het enkele voorhanden hebben van het voorwerp, namelijk een gedraging die is gericht op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp.
tweede middelklaagt over de schending van de in art. 6 EVRM Pro bedoelde redelijke termijn in de cassatiefase.
derde middelklaagt dat het hof aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen in totaal meer vervangende hechtenis heeft verbonden dan wettelijk is toegestaan.