ECLI:NL:PHR:2013:901

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 juni 2013
Publicatiedatum
8 oktober 2013
Zaaknummer
11/04842
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420ter SrArt. 36f SrArt. 24c SrArt. 57 SrArt. 60a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt kwalificatie gewoontewitwassen en beperkt duur vervangende hechtenis

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verdachte is veroordeeld wegens gewoontewitwassen, mensenhandel en geweldsdelicten. Het hof oordeelde dat verdachte gedurende meerdere jaren aanzienlijke bedragen uit prostitutiewerkzaamheden voorhanden had en dat zijn gedragingen gericht waren op het veiligstellen van deze criminele opbrengsten.

De Hoge Raad herhaalt eerdere jurisprudentie dat het enkele voorhanden hebben van voorwerpen uit eigen misdrijf niet automatisch witwassen oplevert, maar dat gedragingen gericht op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst vereist zijn. Het hof heeft dit voldoende gemotiveerd door vast te stellen dat verdachte de locatie van grote sommen geld verborgen hield, waardoor het verbergen van de criminele herkomst aannemelijk is.

Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de opgelegde vervangende hechtenis wegens niet-betaalde schadevergoedingen de wettelijke maximumduur van één jaar overschrijdt. De Hoge Raad vermindert daarom ambtshalve de duur van de vervangende hechtenis tot het wettelijk maximum en vermindert tevens de opgelegde gevangenisstraf vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

Het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen, waarmee de veroordeling wegens gewoontewitwassen en andere feiten in stand blijft. De uitspraak benadrukt de strikte motiveringsvereisten bij witwassen van eigen criminele opbrengsten en de wettelijke grenzen aan vervangende hechtenis.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling wegens gewoontewitwassen en beperkt de vervangende hechtenis tot het wettelijke maximum van één jaar.

Conclusie

Nr. 11/04842
Zitting: 25 juni 2013
Mr. Aben
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 30 september 2011 de verdachte wegens meermalen gepleegde mensenhandel en geweldsdelicten en ook ter zake van 4. “
van het plegen van witwassen een gewoonte maken” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. Voorts bevat het arrest enige bijkomende beslissingen.
2. Namens de verdachte heeft mr. H. Bakker, advocaat te Haarlem, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het
eerste middelklaagt dat het hof het oordeel dat het onder 4 bewezenverklaarde “gewoontewitwassen” oplevert ontoereikend heeft gemotiveerd.
4. Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 14 december 2001 tot en met 26 november 2008, in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, telkens geldbedragen uit prostitutiewerkzaamheden van vrouwen voorhanden gehad, te weten
- ten aanzien van [betrokkene 1] een bedrag en
- ten aanzien van [betrokkene 2] een bedrag
terwijl hij telkens wist dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit misdrijf”
5. Het hof heeft ten aanzien van deze bewezenverklaring het volgende overwogen:
“De raadsman heeft - subsidiair en onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad van 26 oktober 2010 (LJN: BM4440) - bepleit dat het enkele voorhanden hebben van door eigen crimineel handelen verworven geld niet kan worden gekwalificeerd als witwassen.
Het hof overweegt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte een vrouw ertoe heeft gebracht jarenlang in de prostitutie werkzaam te zijn en dat hij zich (een groot deel van) de door die vrouw verdiende gelden heeft toegeëigend. Daarnaast heeft hij zich door middel van misbruik van overwicht en misleiding (een groot deel van) de door een andere vrouw in de prostitutie verdiende gelden toegeëigend. Het ging daarbij telkens om aanzienlijke bedragen.
De verdachte heeft verklaard dat hij geen geld heeft, maar dat hij daarentegen schulden heeft (persoonsdossier, pagina 20001 e.v.). Op de bankrekening van de verdachte bij de ABN-AMRO Bank is in de periode van 1 november 2003 tot en met juni 2007 voor een bedrag van ruim € 255.000,- aan contante stortingen gedaan. Zijn partner, [betrokkene 3], heeft in haar verhoor bij de rechtercommissaris verklaard dat zij nooit heeft geweten van de stortingen op die rekening en dat zij er niet naar om heeft gekeken. Het hof gaat er, gelet op die verklaring, van uit dat deze stortingen door de verdachte zijn gedaan. In de tweede helft van 2007 heeft de rekening een debetstand bereikt, die ook in 2008 heeft voortgeduurd. Ook nader onderzoek heeft niet geleid tot het terugvinden van deze aanzienlijke geldbedragen, afgezien van de bij de verdachte in beslag genomen flatscreens, een stereoset en sieraden, alsmede een aantal enveloppes met contant geld tot een bedrag van € 5.600,-.
Uit de genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, leidt het hof af dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte handelingen heeft verricht die erop waren gericht om zijn criminele opbrengst veilig te stellen; hetgeen hem (kennelijk) ook is gelukt. Daarbij kan in het midden blijven welke handelingen dat specifiek geweest zijn. Het hof komt dan ook tot het oordeel dat het onder 4 bewezen verklaarde feit als gewoontewitwassen dient te worden gekwalificeerd.”
6. In zijn arrest van 8 januari 2013, LJN BX6909 [1] heeft de Hoge Raad over de motiveringsvereisten van het witwassen door het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf het volgende overwogen:
“2.3.1. Over het witwassen door het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, is in HR 26 oktober 2010, LJN BM4440, NJ 2010/655 het volgende overwogen. Vooropgesteld moet worden dat op zichzelf noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van de art. 420bis en 420quater Sr eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens - kort gezegd - (schuld)witwassen. Dat geldt, naar uit de tekst van de wet volgt, ook voor het voorhanden hebben van zo'n voorwerp (vgl. HR 2 oktober 2007, LJN BA7923, NJ 2008/16). Dit betekent niet dat elke gedraging die in de art. 420bis, eerste lid, en 420quater, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de - in beide bepalingen nader omschreven - kwalificatie witwassen onderscheidenlijk schuldwitwassen rechtvaardigt (vgl. in ander verband HR 5 september 2006, LJN AU6712, NJ 2006/612). Zo kan ingeval het gaat om een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het "voorhanden hebben" daarvan wordt verweten, de vraag rijzen of een dergelijk enkel voorhanden hebben voldoende is om als (schuld)witwassen te worden aangemerkt.
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen". Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.
2.3.2. Aan deze overwegingen voegt de Hoge Raad ter verduidelijking het volgende toe. Met deze rechtspraak wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat. Daarom is beslist dat "indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd". Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen. In die eerdere rechtspraak is voorts tot uitdrukking gebracht dat een vonnis of arrest voldoende duidelijkheid moet verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.” [2]
7. Het bestreden oordeel van het hof – zoals weergegeven onder 5 – is gestoeld op ‘s hofs in cassatie onbestreden feitelijke vaststellingen (i) dat de verdachte een legitieme bron van inkomsten ontbeerde, (ii) dat de verdachte inkomsten genoot uit mensenhandel, (iii) dat de verdachte in de periode van 1 november 2003 tot en met juni 2007 voor een bedrag van ruim € 255.000 aan contante stortingen heeft gedaan op een bankrekening waarvan het saldo te zijner beschikking stond, (iv) dat die bankrekening in de tweede helft van 2007 een debetstand bereikte die voortduurde in 2008, en (v) dat bij de verdachte enige elektronica en sieraden zijn aangetroffen en enig contant geld (€ 5.600). Ik maak uit ’s hofs vaststellingen op dat de waarde van deze activa betrekkelijk onbeduidend is in vergelijking met het totaalbedrag van de contante stortingen. Het hof heeft hieruit afgeleid dat de verdachte gedurende de bewezenverklaarde periode grote sommen geld voorhanden heeft gehad, waarvan de locatie ook na opsporingsonderzoek niet bekend is geworden. Hieruit heeft het hof zoals gezegd geconcludeerd “
dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte handelingen heeft verricht die erop waren gericht om zijn criminele opbrengst veilig te stellen; hetgeen hem (kennelijk) ook is gelukt. Daarbij kan in het midden blijven welke handelingen dat specifiek geweest zijn.”
8. Ik herhaal dat ’s hofs vaststellingen en ’s hofs feitelijke gevolgtrekking, te weten dat de verdachte substantiële geldbedragen heeft veiliggesteld, in cassatie op zichzelf niet worden bestreden. Deze vaststellingen en deze gevolgtrekking worden dus
nietin cassatie aan een begrijpelijkheidstoets onderworpen. De klacht luidt slechts dat het hof met deze overwegingen niet heeft voldaan aan de motiveringseisen die Uw Raad sedert 26 oktober 2010 aanlegt voor het kwalificeren van dergelijke gedragingen als ‘witwassen’, zulks door het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. De Hoge Raad eist in zo’n geval het bestaan van een gedraging die
meeromvat dan het enkele voorhanden hebben van het voorwerp, namelijk een gedraging die is gericht op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp.
9. Ik meen echter, anders dan de steller van het middel, dat het hof hierover de verlangde duidelijkheid heeft verschaft. Het hof heeft geconcludeerd dat de verdachte het bestaan en de locatie van substantiële geldbedragen verborgen heeft gehouden voor justitie. Een individu dat er hoe dan ook in slaagt om het bezit van grote sommen crimineel geld te verdoezelen, heeft daarmee ook de criminele herkomst van vermogensbestanddelen daadwerkelijk weten te verbergen of te verhullen. Dat niet is kunnen worden opgehelderd op welke wijze de verdachte zijn criminele vermogen precies aan de naspeuringen van justitie heeft weten te onttrekken doet aan deze conclusie niet af. Het is een te zware eis om te verlangen dat de wijze waarop het veiligstellen van de criminele opbrengsten heeft plaatsgehad nauwkeurig wordt omschreven in de bewijsmiddelen dan wel de bewijsmotivering.
10. Het middel faalt.
11. Het
tweede middelklaagt over de schending van de in art. 6 EVRM Pro bedoelde redelijke termijn in de cassatiefase.
12. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit pleegt te leiden tot strafvermindering.
13. Het
derde middelklaagt dat het hof aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen in totaal meer vervangende hechtenis heeft verbonden dan wettelijk is toegestaan.
14. De bestreden uitspraak houdt in dat het hof aan de verdachte op de voet van art. 36f Sr de verplichting heeft opgelegd tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partijen [betrokkene 2], [betrokkene 1] en [betrokkene 4] van bedragen van respectievelijk € 81.873, € 76.200 en € 494,07. Daarbij heeft het hof de vervangende hechtenis bepaald op respectievelijk 365, 365 en 9 dagen.
15. Op grond van art. 36f, zevende lid, Sr in verbinding met art. 24c Sr kan bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat zoals hier bedoeld, worden bepaald dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis wordt toegepast. Deze vervangende hechtenis mag in het onderhavige geval, waarin sprake is van samenloop als bedoeld in art. 57 Sr Pro, ingevolge art. 60a Sr in verbinding met art. 24c, derde lid, Sr ten hoogste één jaar bedragen. Aldus gaat de vervangende hechtenis die door het hof in totaal aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen is verbonden dit maximum (verre) te boven. [3]
16. Het middel slaagt. Het komt mij voor dat de Hoge Raad de duur van de vervangende hechtenis zelf kan terugbrengen tot het wettelijke maximum, bijvoorbeeld een vervangende hechtenis voor de duur van respectievelijk 180, 180 en 5 dagen.
17. Ambtshalve heb ik – anders dan als vermeld onder 12 – geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.
18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de strafoplegging. De Hoge Raad kan de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf verminderen naar de gebruikelijke maatstaf en de opgelegde vervangende hechtenis inzake de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen verminderen zoals onder 16 is voorgesteld. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

2.De Hoge Raad stelt deze eisen niet alleen aan het ‘voorhanden hebben’ van het crimineel verkregen voorwerp, maar ook aan het ‘’verwerven’ ervan: HR 18 juni 2013,
3.Vgl. HR 11 december 2012,