De zaak betreft een verdachte die door het Gerechtshof Arnhem is veroordeeld wegens het opzettelijk onttrekken van minderjarigen aan het wettig gezag, terwijl hij zich niet hield aan een door de civiele rechter vastgestelde omgangsregeling. De verdachte stelde in cassatie dat strafrechtelijke aansprakelijkheid niet mogelijk is zolang de omgangsregeling niet aan hem is betekend, omdat deze dan niet afdwingbaar zou zijn.
De Hoge Raad verwierp dit verweer en bevestigde dat het ontbreken van betekening niet afdoet aan de rechtskracht van de rechterlijke uitspraak waarin de omgangsregeling is vastgesteld. Het Hof had terecht geoordeeld dat de verdachte strafrechtelijk aansprakelijk is indien hij de omgangsregeling niet naleeft, ongeacht de betekening.
Daarnaast werd het verweer dat de niet-naleving van de omgangsregeling gerechtvaardigd was ter bescherming van de kinderen tegen hun vader ook verworpen. Het Hof had geoordeeld dat er geen gegronde redenen waren om aan te nemen dat bescherming nodig was, wat niet onbegrijpelijk was en niet voor cassatie vatbaar.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de veroordeling van de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en werkstraf, alsmede de toegewezen schadevergoeding aan de benadeelde partij.