ECLI:NL:PHR:2013:908

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 juli 2013
Publicatiedatum
9 oktober 2013
Zaaknummer
12/00941 P
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering betalingsverplichting ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens termijnoverschrijding

Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch legde verdachte op 10 februari 2012 een betalingsverplichting van € 3247,- op ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Verdachte stelde cassatie in tegen dit arrest en diende drie middelen in. Het tweede en derde middel, betreffende de waardering van bewijs en de berekening van aftrekbare kosten, werden verworpen. Het hof had terecht de verklaringen van afnemers boven die van verdachte gesteld en mocht uitgaan van gemiddelde in plaats van maximale voerkosten.

Het eerste middel was gegrond en betrof de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie. Het cassatieberoep werd ingesteld op 15 februari 2012, maar het dossier kwam pas op 21 november 2012 bij de Hoge Raad binnen, waardoor de termijn met meer dan een maand werd overschreden. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekte tot vermindering van de betalingsverplichting en verwerping van het beroep voor het overige. Er werden geen andere gronden voor vernietiging aangetroffen. Deze zaak is verbonden met een andere zaak met een vergelijkbare procedure.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting wegens overschrijding van de redelijke termijn en verwerpt de overige cassatiemiddelen.

Conclusie

Nr. 12/00941 P
Mr. Machielse
Zitting 2 juli 2013
Conclusie inzake:
[betrokkene = verdachte] [1]
1. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft op 10 februari 2012 aan verdachte de verplichting opgelegd tot betaling van € 3247,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. Verdachte heeft cassatie ingesteld en mr. J.C. Oudijk, advocaat te Venlo, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.
3.1. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte is uitgegaan van de aankoopbedragen die door afnemers zijn genoemd, terwijl verdachte andere bedragen heeft opgegeven. Volgens de steller van het middel had het hof moeten uitleggen waarom het hof is uitgegaan van andere bedragen dan door verdachte genoemd.
3.2. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte van iedere transactie die hem is voorgehouden beweerd dat deze legaal was, dat het ging om een ruil, dat hij geen geld heeft ontvangen of veel minder dan de afnemer heeft verklaard. Nu blijkens het arrest zoveel afnemers anders verklaren dan verdachte is het volstrekt niet onbegrijpelijk dat het hof aan verdachtes opgaven geen geloof heeft gehecht.
In beginsel is het voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare bewijsmateriaal datgene tot het bewijs van de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel te bezigen dat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij daarvoor van geen waarde acht. Deze beslissing behoeft geen motivering, behoudens bijzondere gevallen waarvan hier geen sprake is.
Het middel faalt.
4.1. Het derde middel klaagt dat het hof bij de berekening van de aftrekbare voerkosten ten onrechte is uitgegaan van de gemiddelde kosten in plaats van de maximale kosten.
4.2. Verdachte heeft enkel beweerd dat het in het resumé opgegeven bedrag aan kosten niet klopt, dat hij geen overzicht heeft van de kosten die hij maakte, dat het voor hem een hobby was en dat daarom een registratie van kosten niet verplicht is. Zijn advocaat heeft daaraan niets toegevoegd. Onder deze omstandigheden was het hof niet gehouden zijn keuze om uit te gaan van de gemiddelde kosten zoals die blijken uit het proces-verbaal van de Regiopolitie Brabant Zuid Oost met nummer 221909201, opgemaakt door verbalisant [verbalisant], nader te motiveren.
Het middel faalt.
5.1. Het eerste middel klaagt over schending van de redelijke termijn in cassatie. Het cassatieberoep is ingesteld op 15 februari 2012 en het dossier is eerst op 21 november 2012 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.
5.2. De gegevens die het middel aandraagt zijn correct. Dat betekent dat de door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn met één maand en zes dagen is overschreden.
Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting.
6. Het tweede en derde middel falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO Pro ontleende motivering worden verworpen. Het eerste middel is gegrond hetgeen ertoe zal dienen te leiden dat de Hoge Raad de opgelegde betalingsverplichting vermindert. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
7. Deze conclusie strekt tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

Voetnoten

1.Deze zaak hangt samen met nr. 12/00940 ([verdachte]) waarin ik ook vandaag concludeer.