ECLI:NL:PHR:2013:911

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 september 2013
Publicatiedatum
9 oktober 2013
Zaaknummer
12/05996
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Rijkswet op het NederlanderschapArt. 6 lid 1 onder g Rijkswet op het NederlanderschapArt. 81 lid 1 ROArt. 10:31 BWArt. 10:32 BW
Verwijzingen
12 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-erkentenis polygamisch huwelijk en afstammingsrecht voor nationaliteitsvraag

In deze zaak stond de vraag centraal of een kind geboren uit een in Marokko gesloten polygamisch huwelijk automatisch de Nederlandse nationaliteit verkrijgt op grond van artikel 3 lid 1 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN, 1985).

De vader, een in Nederland genaturaliseerde Nederlander, was in 2006 in Marokko in een polygamisch huwelijk getreden. De rechtbank ’s-Gravenhage had het verzoek tot vaststelling van de Nederlandse nationaliteit van het kind afgewezen omdat het polygame huwelijk in Nederland niet erkend wordt wegens strijd met de openbare orde. Daardoor kon geen afstammingsrechtelijke relatie worden aangenomen.

De Hoge Raad bevestigde deze beoordeling en oordeelde dat de erkenning van het polygame huwelijk in Nederland kan worden onthouden als dit de Nederlandse rechtsorde raakt. De betrokkenheid van de vader met de Nederlandse rechtssfeer was voldoende om de openbare orde exceptie toe te passen. Tevens werd geoordeeld dat het onderscheid tussen kinderen uit monogame en polygame huwelijken niet in strijd is met de artikelen 8 en 14 EVRM.

De conclusie van de procureur-generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep, waarmee de eerdere beslissing in stand bleef.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het kind uit het polygame huwelijk niet de Nederlandse nationaliteit verkrijgt omdat het huwelijk niet wordt erkend in Nederland.

Conclusie

12/05996
Mr. P. Vlas
Zitting, 27 september 2013
Conclusie inzake:
[verzoeker], in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [het kind]
(hierna: [verzoeker])
tegen
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie), Immigratie- en Naturalisatiedienst
(hierna: de Staat)
1. Het gaat in deze nationaliteitszaak om de vraag of het kind van [verzoeker] dat is geboren uit een in Marokko tot stand gekomen polygaam huwelijk ingevolge art. 3 lid 1 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) de Nederlandse nationaliteit heeft, omdat zij afstamt van een vader ([verzoeker]) met de Nederlandse nationaliteit. In dit kader rijst de voorvraag of het polygame huwelijk in Nederland en de daaruit voortvloeiende afstammingsrechtelijke relatie tussen de vader en het kind kan worden erkend. Naar mijn mening komt de zaak in aanmerking voor toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro, zodat met een verkorte conclusie wordt volstaan.
2. In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten. [1] [verzoeker], geboren in 1952 te Marokko, is op 24 september 1992 in Marokko in het huwelijk getreden met [betrokkene 1], geboren in 1961 te Marokko. Dit huwelijk is nog steeds in stand.
3. [verzoeker] heeft de Marokkaanse nationaliteit. [2] Bij Koninklijk Besluit van 17 september 1993 is aan [verzoeker] de Nederlandse nationaliteit verleend.
4. Op 17 maart 2006 is [verzoeker] in Marokko in het huwelijk getreden met [betrokkene 2], geboren in 1982 te Marokko, van Marokkaanse nationaliteit. Uit dit huwelijk is op [geboortedatum] 2007 te Marokko [het kind] geboren. Op 12 oktober 2009 is [betrokkene 2] te Marokko overleden.
5. Op 30 november 2010 heeft [betrokkene 1] door optie krachtens art. 6 lid 1 onder Pro g van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) de Nederlandse nationaliteit verkregen.
6. Bij beschikking van 28 september 2012 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage het verzoek van [verzoeker] om vast te stellen dat [het kind] krachtens art. 3 lid 1 RWN Pro van rechtswege de Nederlandse nationaliteit heeft afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat het polygame huwelijk tussen [verzoeker] en [betrokkene 2] in Nederland niet kan worden erkend wegens strijd met de Nederlandse openbare orde (rov. 4.2-4.3), waardoor [verzoeker] niet kan worden aangemerkt als de biologische vader van [het kind] omdat [het kind] niet is geboren uit een huwelijk dat naar Nederlands recht rechtsgeldig tot stand is gekomen (rov. 4.4). Van een strijd met de art. 8 en Pro 14 EVRM is volgens de rechtbank geen sprake (rov. 4.5).
7. Tegen deze beschikking is door [verzoeker] tijdig cassatieberoep ingesteld. De Staat heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
8. Als ik het goed zie, bestaat het cassatiemiddel uit twee onderdelen. Het
eerste onderdeelbetoogt dat de rechtbank een onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven omtrent het bepaalde in art. 8 en Pro 14 EVRM, omdat de rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat voor het aannemen van een schending van art. 14 EVRM Pro vereist is dat art. 8 EVRM Pro is geschonden. Het
tweede onderdeelvoert aan dat de rechtbank de relatieve werking van de openbare orde exceptie in art. 10:32 BW Pro heeft miskend.
9. Een buiten Nederland gesloten huwelijk dat ingevolge het recht van het land waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is, wordt als zodanig in Nederland erkend (art. 10:31 lid 1 BW Pro), tenzij de erkenning kennelijk onverenigbaar is met de Nederlandse openbare orde (art. 10:32). [3] Naar Nederlands internationaal privaatrecht wordt de erkenning van in het buitenland gesloten polygame huwelijken niet categorisch afgewezen. De erkenning stuit alleen dan op bezwaren wanneer het polygame huwelijk de Nederlandse rechtsorde in voldoende mate raakt op het moment van het sluiten van het desbetreffende huwelijk. [4] Nu [verzoeker] al geruime tijd vóór het polygame huwelijk met [betrokkene 2] in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit (hij is in 1993 tot Nederlander genaturaliseerd en heeft in 2006 het polygame huwelijk gesloten), heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat er volvoldoende betrokkenheid is met de Nederlandse rechtssfeer om erkenning aan het polygame huwelijk te onthouden (rov. 4.3). Van een door het middel betoogde miskenning van de relatieve werking van de openbare orde exceptie is dan ook geen sprake.
10. Nu het (inmiddels door het overlijden van [betrokkene 2] ontbonden) polygame huwelijk in Nederland niet wordt erkend, kan uit dit huwelijk geen afstammingsrechtelijke relatie worden aangenomen tussen [verzoeker] en [het kind] zodat [het kind] niet op grond van art. 3 lid 1 RWN Pro de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen.
11. Nog daargelaten dat aan het EVRM geen recht kan worden ontleend op verkrijging van een nationaliteit, [5] faalt de klacht over de schending van art. 8 en Pro 14 EVRM, in ieder geval omdat het door het middel gestelde onderscheid tussen kinderen uit een monogaam huwelijk en kinderen uit een polygaam huwelijk, als een door het EVRM toegestaan onderscheid moet worden beschouwd, zodat een inbreuk op de door art. 8 en Pro 14 EVRM beschermde rechten gerechtvaardigd is.
12. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie rov. 2.1 t/m 2.4 van de beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 september 2012.
2.Zie het bij het inleidende verzoekschrift als bijlage gevoegde uittreksel uit de GBA.
3.De genoemde bepalingen maken deel uit van Afdeling 1, Titel 3, Boek 10 BW, welke afdeling temporeel slechts van toepassing is op de erkenning van de geldigheid van huwelijken die zijn voltrokken vanaf 1 januari 1990 (zie art. 10:34 lid 1 BW Pro).
4.Asser/Vonken 10-II 2012, nrs. 98-99; S. Rutten, Huwelijk en burgerlijke stand, Praktijkreeks IPR, deel 2, Maklu 2011, p. 93 e.v.; K. Boele-Woelki e.a., De juridische status van polygame huwelijken in rechtsvergelijkend perspectief, Bju 2010, p. 21 e.v.
5.Zie o.a. HR 25 mei 2012, LJN: BV9435, NJ 2012/337. (PM: zie echter noot Rodrigues, AB 2012/277).