Conclusie
eerste onderdeelbetoogt dat de rechtbank een onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven omtrent het bepaalde in art. 8 en Pro 14 EVRM, omdat de rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat voor het aannemen van een schending van art. 14 EVRM Pro vereist is dat art. 8 EVRM Pro is geschonden. Het
tweede onderdeelvoert aan dat de rechtbank de relatieve werking van de openbare orde exceptie in art. 10:32 BW Pro heeft miskend.