In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 23 maart 2012. Het middel richt zich tegen de verwerping van een bewijsverweer, waarbij onder meer een beroep wordt gedaan op de unus testis-regel, stellende dat er onvoldoende steunbewijs is voor de aangifte van de betrokkene.
De Hoge Raad overweegt dat het bijkomende bewijsmateriaal niet in een te ver verwijderd verband mag staan met de kern van de getuigenverklaring, maar dat het niet vereist is dat het steunbewijs de lezing van de verdachte volledig weerlegt. Het gaat erom dat het steunbewijs de lezing van de aangeefster in voldoende mate waarschijnlijk maakt, wat in deze zaak het geval is.
Het hof heeft bovendien op begrijpelijke wijze gemotiveerd waarom het meer geloof hecht aan de aangifte. De klacht over het bewijs van voorwaardelijk opzet faalt eveneens omdat deze in wezen betrekking heeft op het ontbreken van steunbewijs voor de lezing van het slachtoffer. De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a van het Wetboek van Strafvordering.